woensdag 16 september 2015

'Mijn geld & ik': dirigent Pieter Jan Leusink

"We draaien op zo'n 27 à 30 Matthäus Passionen per jaar"
Elke week vraagt de redactie een bekende streekgenoot het hemd van het lijf over financiële kwesties.
Vandaag: Pieter Jan Leusink (57), dirigent en directeur van The Bach Choir & Orchestra of the Netherlands.

door Margaretha Coornstra










Hoeveel bedroeg je eerste salaris?

“Op mijn vijftiende had ik een vakantiebaantje bij een tuinder. Ik werkte zestig uur per week voor zo’n driehonderd gulden. Dat was nog meer dan mijn vader destijds met veertig uur bij Schokbeton verdiende.”

Je eerste belangrijke aankoop?
“Mijn eerste brommer, een Kreidler.”

Grootste miskoop?
“In 1983 kocht ik elektronisch kerkorgel voor dertigduizend gulden. Helaas was ik dat orgel na een paar maanden al zat. En toen kreeg ik er maar de helft voor terug… Daar heb ik wel van geleerd.”

Grootste uitspatting?
“Ik heb net een robotgrasmaaier gekocht van ruim twaalfhonderd euro.”

Je rookt bijna non-stop sigaren. Gaat daar niet veel geld aan op?
“Nee, want ik rook het allergoedkoopste merk. Ooit kreeg ik een doos Cubaanse sigaren cadeau. Maar die vond ik niet lekker. Ik overwoog zelfs om ze weg te gooien, tot iemand mij erop wees dat zo’n doos achthonderd euro kost!” (Schatert:) “En ik had alleen simpelweg ‘dankjewel’ gezegd! Wist ik veel.”

Ben je zakelijk?
“Veel musici zijn niet zakelijk, maar Onze Lieve Heer heeft mij een talent gegeven om een en ander te combineren. Zo flamboyant als ik in de muziek kan zijn, zo strak ben ik op zakelijk gebied. Ik zit dagelijks te rekenen, maak analyses en prognoses.”

Waarop zou je het eerst bezuinigen?
“Ik heb eigenlijk niks overbodigs. Dus als ik móest bezuinigen, zou ik kleiner moeten gaan wonen. Of eerst de tv wegdoen.”

Is commercie voor jou geen vies woord?
“Voor mij betekent commercie: zelf je broek ophouden. Wat is daar op tegen? Zeker nu er de laatste jaren in de kunstsector zoveel subsidie is weggevallen. Vroeger noemde iedereen mij commercieel. Tegenwoordig krijg ik telefoontjes: ‘Hoe doen jullie dat?’”

Hoe doen jullie dat?
“Wij draaien op zo’n 27 à 30 Matthäus Passionen per jaar. Daar hebben we een vast publiek voor. Toevallig is de Matthäus ook nog eens het mooiste stuk dat ik ken, dus het is geen straf. De opbrengst stelt ons in staat om ook minder bekende muziek uit te voeren. Zo redden we ons zonder subsidie. Nu is een beetje subsidie natuurlijk prima. Maar als je helemaal gesubsidieerd wordt, loop je het risico dat je alleen nog maar je eigen ding gaat doen, zonder je af te vragen of het publiek daarop zit te wachten.”

Hoeveel staat er op je betaalrekening?
“Nul, hahaha! Van ons bedrijf heb ik gewoon een eigen salaris. Tweeduizend euro per maand is genoeg, de rest zit in het bedrijf. Ik hoor vaak mensen zeggen: ‘O, dit-of-dat doen we wel van de zaak’. Alsof je het dan niet hoeft te betalen! Dat vind ik eigenlijk een vorm van roof.”

En dat stuk fineer dat van je aanrechtdeur af is…?
“Ja, daar storen veel mensen zich aan. Ik niet. Een nieuw aanrechtblok? Ben je gek, het is toch geen probleem? Laatst wilde ik bij het Concertgebouw parkeren, ik had haast en reed langs een muur − krrrrtsj! De hele rechterkant van m’n auto geschampt. Nou, dan kijk ik gewoon niet naar die kant, dan heb ik er ook geen last van. Ik ga nu echt niet 1500 euro uitgeven om dat te laten repareren. Ik zie het wel als ik aan de volgende auto toe ben.”

De Stentor, 16-09-2015