dinsdag 23 augustus 2016

Recycling-kunst in Museum Sjoel

Frans Sellies in zijn computerhoek, met een documentaire over de joodse kunstenares Hanna Oren-Huppert.

Vanaf 1 september exposeert Hanna Oren-Huppert in Museum Sjoel. Elburger Frans Sellies maakte een documentaire over de joodse kunstenares.

Door Margaretha Coornstra


ELBURG – Het filmpje over Hanna Oren-Huppert is niet Sellies’ eerste klus voor de Sjoel. De afgelopen drie jaar maakte hij zo’n tien minidocumentaires, als toelichting bij de exposities. Ook elders in ‘cultureel Elburg’ is hij regelmatig actief. Zo filmde hij in 2015 dramascènes voor de lokale versie van The Passion en was hij in mei 2016 betrokken bij de registratie van het openluchtspel ‘Willem van Oranje’ (een productie van Stichting 8081), die binnenkort op dvd verschijnt.
Hoewel Frans Sellies fotografie en filmen louter als hobby ziet, levert hij gedegen werk. “Dat komt door mijn baan aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Ik was daar werkzaam bij de opleiding Journalistiek.”
Wel beperkt hij zich tot kleine projecten, stelt hij met nadruk: “Het moet afzienbaar blijven. En ik moet echt voeling met het thema hebben, of met de persoon die ik daarover interview. Wanneer ik vooraf informatie zoek op internet, vorm ik me een beeld van het onderwerp. En heb ik daar geen affiniteit mee, dan begin ik er ook niet aan.”

Met de joodse kunstenares Hanna Oren-Huppert voerde Frans Sellies een geanimeerd gesprek. Een bewogen én beweeglijke vrouw, constateert hij:  “Als ze niet aan het boetseren is, zit ze wel de klei van haar handen te schrapen of druk te gebaren terwijl ze praat. Maar wat me vooral opviel, was hoezeer de titel van de Sjoel-expositie, ‘Onderweg’, van toepassing is op haar eigen leven.”

Eigenlijk begon dat al bij haar geboorte, die ‘onderweg’ plaatsvond: in de trein die haar gevluchte (want joodse) ouders in 1946 van Rusland naar Polen bracht. Diverse reizen volgden. In 1949 emigreerde de kleine Hanna met haar ouders naar Israël. Dat leek definitief; ze groeide er op, doorliep haar militaire dienst en studeerde sociologie. Ze promoveerde echter in Nederland, keerde terug naar Israël, maar kreeg daar steeds meer moeite met het politieke klimaat.
“Het was niet meer ons kleine Israël, het was een groot Israël geworden. Maar ik had een eigen mening. En daarmee behoorde ik tot een minderheid,” formuleert ze voorzichtig in een videofragment. Sellies: “Vanwege die politiek kon ze uiteindelijk toch niet meer aarden in Israël en kwam met haar gezin naar Nederland.”

Mede door haar eigen familiegeschiedenis is Hanna Oren-Huppert intens begaan met oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. “Dat zie je steeds terug in haar werk,” zegt Frans Sellies. “Begrijpelijk, want haar eigen leven heeft ook iets van een voortdurend vluchten. Hanna lijkt steeds onderweg, alsmaar bezig om dingen achter zich te laten.”


Expositie in de Sjoel Elburg

Hanna Oren-Huppert (1946) promoveerde aan de Universiteit Utrecht als medisch sociologe. Sinds 1985 ontwikkelde ze zich tot autodidact beeldend kunstenares. Ze werkt niet alleen met klei, maar maakt ook zogeheten ‘recycling-kunst’ uit schijnbaar waardeloze materialen. Expositie: 1 sept. t/m 7 januari. Zie www.sjoelelburg.nl.


(De Weekkrant, 23-08-2016)

vrijdag 19 augustus 2016

Een rozenboog vol kringlooplapjes


Wekelijks vraagt de Stentor een bekende streekgenoot het hemd van het lijf over financiële kwesties. Vandaag: harpiste Regina Ederveen uit ’t Loo (bij Oldebroek), tevens auteur van een aantal boeken over de geschiedenis van de harp.

Door Margaretha Coornstra

Wat een beeldige vintage theepot!

,,Van de kringloop. Kostte volgens mij 3, 50 euro. Maar ik vind ’m erg leuk. Ik hou wel van een beetje romantisch.”

Ga je regelmatig kringloopwinkelen?

,,Wel vaker dan de gemiddelde persoon, denk ik. Als je een beetje creatief bent, kun je van alles vinden waarmee je voor weinig geld iets totaal nieuws maakt. Ik werk nu aan bloemdecoraties voor een bruiloft. Bij de kringloop vond ik gisteren een lap vitrage die ik daarvoor prima kan gebruiken.”

Wat levert dat op, die bloemdecoraties?

,,Niks. Ik doe dit samen met een kennis, voor het huwelijk van twee Rwandese mensen die elkaar in Nederland hebben leren kennen. We hadden zin om eens feestelijk uit te pakken, met allemaal zelfgemaakte rozen van restlapjes. Ik heb op e-Bay al een rozenboog besteld.”

Ben je over het algemeen zuinig? Met gas en licht bijvoorbeeld?

,,Niet extreem. Net als de meeste mensen gebruik ik spaarlampen en zo. En mijn vorige auto, een Opel Astra, heb ik echt helemaal afgereden. Er stond bijna 500.000 kilometer op de teller.”

Waar geef je het meeste geld aan uit?

,,Aan mijn harpen, bijvoorbeeld deze Lyon & Healy uit 1911. Het bedrag? Nou, laten we zeggen dat je daarvoor best een aardig klein autootje kunt kopen. Zo’n Kia of zo.”

Stel, je moet zuiniger gaan leven. Wat schrap je het eerst?

,,Ik zou eerst minder vaak uit eten gaan. En daarna vallen waarschijnlijk de vakantiereizen af.”

Wat kost bij jou een harples?

,,Ik reken 40 euro per uur exclusief BTW.”

Is harpspelen duur?

,,Wel duurder dan blokfluit, zeker als je pas begint. Een beetje harp kost al gauw 1000 euro.”

Maar een piano is toch niet goedkoper?

,,Zeker niet. En je kunt ook een harp huren, met eventueel een huurkoopregeling. Zo kun je eerst rustig kijken of harpspelen inderdaad iets voor jou is. Het blijft een prijzige hobby, maar ja: wat kost het lidmaatschap van een hockey- of ruiterclub, met hockeysticks en outfits en al? Daar hoor je mensen dan weer niet over.”

Hoe vind jij dat Nederland financieel met muziek omgaat?

,,Die bezuinigingen, hè? Veel musici zien zich zo ongeveer gedwongen om zzp’er te worden. Ik stel ook vast dat zowel in Zwolle als Harderwijk de muziekscholen verdwenen zijn. Dat zijn toch middelgrote provinciesteden. Aan de andere kant: soms ben je met privéles juist voordeliger uit. Ik ken een muziekschool waar ze met strippenkaarten werken. Laatst heb ik uitgerekend dat je daarvoor per uur uiteindelijk meer betaalt dan voor privéles. Dus het is een mythe dat lessen via de muziekschool altijd goedkoper zijn.”

(de Stentor, 19 maart 2016)

vrijdag 5 augustus 2016

Dertig jaar 'Vrienden van Museum Elburg'


Jan van Vuuren: Elburg (aquarel, collectie Museum Elburg)

Door Margaretha Coornstra

ELBURG - Op 6 juni was het feest in Museum Elburg. De restauratie en herinrichting werden uitbundig gevierd. Bij die gelegenheid kreeg het Museum een fraaie aquarel aangeboden van kunstenaar Jan van Vuuren (1871-1941). Een attentie van de Vereniging Vrienden van het Museum Elburg, die dit jaar haar dertigjarig bestaan viert. Maar wat doen deze ‘Vrienden’ eigenlijk zoal?

"We ondersteunen het museum, en dan niet alleen financieel maar ook metterdaad,” vertelt secretaris Els van Andel. “Sommige mensen helpen bijvoorbeeld de Kloostertuin onderhouden, anderen staan regelmatig in het Museumcafé achter de bar. En vanwege de herinrichting hebben we bijvoorbeeld een tafel geschonken voor op de Beletage. Een ontwerp van Edward Otten, gemaakt uit hout van een monumentale Zwolse plataan die in 2007 was omgewaaid.”

Verder denken de ‘Vrienden’ mee over exposities en over de museumcollectie, vertelt kunstverzamelaar en bestuurslid Johan Stremmelaar. Van hem kwam het idee voor deze aquarel van Jan van Vuuren. "De laatste jaren zijn er vooral praktische dingen aangeschaft, zoals een koelvitrine en een wasmachine. Maar nu werd het weer eens tijd voor een nieuw collectiestuk. Deze aquarel viel me een paar jaar geleden al op. Ik dacht: die hoort in het Museum Elburg. Ten eerste omdat Van Vuuren een Noord-Veluwse kunstenaar was, ten tweede omdat hij weinig aquarellen heeft gemaakt, hij werkte vooral in olieverf.”
‘Vrienden’-voorzitter Bob Middelburg vult aan: “En ten derde is de invalshoek heel bijzonder. Meestal wordt de Vischpoort geschilderd vanuit de Noorderwalstraat. Maar dit is gezien vanaf de stadswal bij het huidige Jos Lussenburgplein. De Vischpoort is ook niet het hoofdonderwerp; het is gewoon een fraai gezicht op een stukje Elburg dat er nu niet meer is.”

Tot 15 januari 2017 is deze aquarel echter te zien in het Noord-Veluws Museum te Nunspeet. Het Museum Elburg heeft het werk namelijk in bruikleen gegeven voor een overzichtsexpositie van Jan van Vuuren.


Museumvrienden gezocht
De Vereniging Vrienden van het Museum Elburg telt zo'n 135 leden. Dat aantal blijft vrij stabiel, maar de vergrijzing neemt geleidelijk toe. Nieuwe leden zijn dus van harte welkom! Geïnteresseerden kunnen vrijblijvend contact opnemen met Els van Andel, via elsvandel@hotmail.com.

(Huis-aan-Huis, 22-06-2016)

vrijdag 22 juli 2016

Wim Magré brengt Bach-album uit

Wim Magré achter 'zijn' Quellhorst-orgel te Elburg (foto auteur)

Deze week verschijnt het nieuwste album van Wim Magré. De Elburger musicus promoot ‘zijn’ Quellhorst-orgel met werken van J.S. Bach.

Door Margaretha Coornstra

ELBURG – Titularis-organist van de Grote of St. Nicolaaskerk te Elburg, zo mag Wim Magré zich al ruim een jaar noemen. Daarmee is hij de bespeler bij uitstek van het Quellhorst-orgel uit 1825, dat onder kenners hoog staat aangeschreven. Vanuit deze functie ontstond het plan voor zijn nieuwste cd. “Ik dacht: ik moet toch weer eens iets opnemen met dit orgel.”
Bijzonder is dat Magré, die zich vooral toelegt op een breed en toegankelijk repertoire, zich ditmaal beperkte tot Johann Sebastian Bach (1685-1750). “Och ja, ik dacht: nu kan ik wel wéér allemaal psalmen en gezangen opnemen, maar zo’n Bach-cd is natuurlijk wel een uitdaging,” licht hij toe. En met milde zelfspot: “Zo had ik gelijk een mooie stok achter de deur om weer eens hard te studeren.”
Toch zijn Wim Magré en zijn zoon/collega Wilbert Magré sowieso harde werkers. Dit Bach-album werd nota bene voorbereid en opgenomen bij alle hectiek van hun megaproject: de tournee met ‘Het Groot Johannes de Heer Koor’ van 650 zangers, die net is afgerond. Een doorslaand succes dat prompt voor herhaling vatbaar bleek: “We hebben nu alweer 450 aanmeldingen voor volgend jaar!” lacht Magré verbaasd. “Tja, en met meer dan 650 zangers kun je eigenlijk niet optreden, hè? Je raakt zo’n groot koor in bijna geen enkel gebouw kwijt...”

De opnamen voor de Bach-cd stonden gepland vlak na een tweedaagse stembeurt, zodat het majestueuze orgel optimaal zou klinken. De tracklist vermeldt elf bekende werken, waarbij Magré zichzelf niet spaarde. Een koraalvoorspel als ‘Herr Gott, nun schleuss den Himmel auf’ BWV 617 vergt niet alleen qua voordracht, maar ook technisch de nodige verdieping. “Want alle zestiende nootjes moeten er wél zijn, hè? En niet te vergeten het pedaal, dat het aanhoudend kloppen op de hemelpoort moet uitbeelden.”
 
Uiteraard mocht de aangrijpende Passacaglia & Fuga in c evenmin ontbreken. “Een prachtig stuk,” vindt Wim Magré. “Ik heb daaraan overigens wel mijn eigen interpretatie gegeven. Kijk, iemand als Ton Koopman begint en eindigt met dezelfde registratie. Nu is Ton Koopman een groot Bachkenner, dus die weet wel wat ie doet. Maar ja, dat stuk duurt bijna een kwartier. En dan vind ik persoonlijk één enkele registratie toch wat vermoeiend klinken. Dus koos ik ervoor om het geluid geleidelijk op te bouwen, vooral in die Fuga. Of echte barokpuristen het daarmee eens zijn, weet ik niet. Maar ik dacht: op die manier kan ik meteen mooi laten horen wat het orgel allemaal in huis heeft.”


CD en concerten
Het nieuwste album van Wim Magré, ‘Orgelwerken van Johann Sebastian Bach’, bevat elf werken, gespeeld op het Quellhorst-orgel van de Grote Kerk te Elburg. De cd verschijnt rond 20 juli. Op 3 en 27 augustus speelt Wim Magré live op datzelfde orgel, tijdens de zomeravondconcerten. Zie ook www.wimmagre.nl

(HaH Elburg & Oldebroek, 19-07-2016)

zaterdag 16 juli 2016

Gitaarfestival Zwolle nadert gouden jubileum

Pieter van der Staak (1930-2007)
Het Internationaal Gitaarfestival Zwolle nadert zijn 48ste editie. Toch blijkt dit evenement een goed bewaard geheim: de meeste mensen weten niet eens dat het bestaat. Maar gitaarcoryfeeën als Alvaro Pierri prijzen ‘Zwolle’ al jaren als een degelijk festival met een goede sfeer.

Tekst: Margaretha Coornstra

Het Internationaal Gitaarfestival Zwolle kent een lange historie. Ontstaan in 1969 als geesteskind van gitarist/componist Pieter van der Staak (1930-2007), ademde het van meet af aan een kosmopolitische, ietwat bohémienne sfeer.
Veel vijftigplussers kennen Van der Staak wellicht van het Jiddische duo met kleinkunstenares Willy Brill. “Maar Pieter was toch vooral klassiek gitarist en componist”, zegt Jacob Vlijm, sinds 2003 artistiek leider van het festival. Vlijm is tevens hoofdvakdocent gitaar aan hetzelfde Zwolse ArtEZ-conservatorium waar hij ooit bij Van der Staak afstudeerde.

Pieter van der Staak had een primair pedagogische doelstelling met de ‘Internationale Gitaarweken’, zoals het festival eerst heette. “In de jaren zestig was klassiek gitaar een ondergeschoven kindje binnen de conservatoria,” legt Vlijm uit. “Gitaristen waren ook erg op zichzelf. Dus Pieter wilde studenten buiten hun eigen kring laten treden, voorspeelgelegenheid creëren en hen in contact brengen met grote namen.”
Die grote namen kwamen algauw, want Van der Staak had wereldwijd connecties. Ook sinds zijn overlijden slaagt het Gitaarfestival er telkens in om internationale grootheden te strikken. Naast David Russell, Pepe Romero, Mats Bergström, Aniello Desiderio en Alvaro Pierri kwam zelfs de legendarische Cubaan Leo Brouwer (1939) naar Zwolle. En in oktober 2016 is de Poolse maestro Łukasz Kuropaczewski artist in residence.

De kwaliteit is dus een constante gebleven, ondanks alle ups en downs. Want – en daar doet Jacob Vlijm niet geheimzinnig over – uiteraard kennen ze ook in Zwolle de financiële worsteling sinds de bezuinigingen van Zijlstra. “Toen bleek hoe kwetsbaar je bent wanneer je op subsidiestructuren leunt. Bekende fondsen hebben hun eisen zodanig gespecificeerd dat jouw activiteiten daar altijd buiten vallen, hoe je ze ook omschrijft. En alleen al in die aanvraagcorrespondentie gaat dertig procent van de tijd zitten, waarbij je feitelijk met de rug je publiek toe staat. Een gevolg van het geldgebrek? Tja, we hadden bijvoorbeeld een eigen soloconcours, mét een verplicht nieuw werk. Maar ditmaal laten onze financiën het uitschrijven van zo’n compositieopdracht niet toe.”
Al beseft Vlijm ook dat het Gitaarfestival niet alleen staat in deze geldsores. “Veel culturele stichtingen herkennen dit; ze moeten net als wij zichzelf op dat punt opnieuw uitvinden. Maar wij blijven honderd procent overtuigd van onze missie. We willen ons gouden jubileum halen!”

Internationaal Gitaarfestival Zwolle, oktober 2016
oktober 2016. Locatie: ArtEZ Conservatorium Zwolle.
www.guitarfestivalzwolle.nl



(Luister, juni 2016)
HÄNDEL-MENDELSSOHN
‘Israel in Ägypten’
The King’s Consort & solisten o.l.v. Robert King
Vivat 111 • DDD- 83’ (2CD)
Waardering: 9

Dat Felix Mendelssohn de Matthäus Passion opdiepte en afstofte, is genoegzaam bekend. Maar hij bestudeerde en arrangeerde in 1833 ook Händels oratorium ‘Israel in Egypt’. Dirigent Robert King heeft nu op zijn beurt die noeste arbeid van Mendelssohn gereconstrueerd.
Ondanks de toegevoegde 19de eeuwse elementen benaderde de jonge Mendelssohn Händels partituur met gepaste schroom en zocht serieus naar de oorspronkelijke intenties. Musicoloog R. Larry Todd bestempelt hem in de liner notes zelfs als ‘een van de eerste exponenten van de zogeheten historische uitvoeringspraktijk’.
Nu waren Händel en Mendelssohn allebei gezegend met veel zin voor dramatische expressie. En deze bundeling van beider krachten levert een gepolijste, bijna filmische klankschildering op. De ouverture is natuurlijk onmiskenbaar Mendelssohn en zal menige fan in verrukking brengen. Maar ook verder munt The King’s Consort uit in homogeniteit en produceert de gave, geoliede klanken die je bij Mendelsohn verwacht. Koor en orkest vormen een steeds hechte, wendbare eenheid. Alerte frasering, eloquente dynamiek: het is er allemaal.
De Duitse teksten storen daarbij allerminst. Prachtig is het geladen pianissimo van het koor in ‘Er sandte dicke Finternis’ (één van de plagen over Egypte) en de spanningsopbouw in ‘Das hören die Völker’. Ook de solisten zijn klasse, getuige het duet van Lydia Teusscher & Julia Doyle: ‘Der Herr ist mein Heil’ of de Aafje Heynis-achtige glans over de alt van Hilary Summers in ‘Bringe sie hinein’. Alles bijeen een aanrader, zelfs voor wie geen uitgesproken Mendelssohn-adept is.

Margaretha Coornstra
(Luister 715, mei 2016)

De Speciaalzaak: Ervede Antiek & Brocante

(Stockfoto Nadine Doerlé)
Ze zijn er nog: echte speciaalzaken, van ondernemers die niet uitgepraat raken over hun product. Zoals Riki van Dorp, van Ervede Antiek & Brocante.

Door Margaretha Coornstra

In de etalage staat een lieve oude teddybeer. Een echte klassieker: bruin, met draaibare poten en een snuit waaraan hij blijkbaar vaak is opgetild. Ook naar zijn geplette vacht te oordelen heeft hij er al heel wat troost- en knuffeljaren op zitten. Toch blijven hij en zijn collega’s gewilde items, vertelt Riki van Dorp. ,,Grootouders willen vaak zo'n teddybeer voor hun pasgeboren kleinkind.” Ze wijst naar een wit speelgoedpaard op wieltjes: ,,Dat is nu te kwetsbaar om nog mee te spelen. Maar mensen kopen zo'n paard als decoratie, bijvoorbeeld om naast een paspop te zetten.”

Paspoppen blijken een belangrijk onderdeel van het assortiment. ,, In brocante zie je duidelijke trends,” legt Riki uit. ‘’Zo waren heiligenbeelden een tijdlang erg populair. Zo'n trend kan zomaar afgelopen zijn, maar die paspoppen zijn al heel lang in. En oude stolpen, daar zijn mensen tegenwoordig dol op. Die hebben we dus ook.”
Andere fascinerende stukken: een antiek kamerscherm, een paar doopjurken en – jawel! – meerdere engelenvleugels. Een origineel stel vleugels van effen gaas. Maar ook een stel dat opnieuw is bespannen, met oude kant. Achterin het winkeltje is ‘de keuken’: daar staan keukenspullen uit grootmoeders tijd. Groen en grijsgewolkt email, Sunlight zeep en koffiebusjes in jugendstil van Kanis & Gunnink: ,,Die zaten immers in Kampen, dus die kom je hier veel tegen.”

Riki van Dorp werkt samen met haar man Ruud Kamphuis, die ook het winkelmeubilair restylede en wit schilderde. Getweeën struinen ze Belgische en Franse markten af. ,,Soms vertrekken we midden in de nacht, om zo vroeg mogelijk op de markt te zijn. Want je merkt dat bepaalde spullen toch wel schaarser worden.”
In een openstaande kast prijkt antiek serviesgoed. ,,Allemaal van Regout uit Maastricht. Mensen komen uit heel Nederland hierheen, want ik verkoop losse onderdelen.” Vooraan staan serviezen met de decors Meibloem en Beatrix: blauwe bloemetjes op een witte ondergrond. ,,Meibloem is zo’n 120 jaar oud en het Beatrix-decor is ontworpen ter ere van de geboorte van prinses Beatrix in 1938,” aldus Riki. ,,Op de dag van haar troonsafstand in 2013 had ik een tafel feestelijk gedekt met Beatrix-serviesgoed, Beatrix-hoedjes en oranje servetten. Daaar kregen we zulke enthousiaste reacties op!”
Riki van Dorp is blij met de huidige locatie in de Geerstraat. ,,Eerst zaten we in de Oudestraat, maar de Geerstraat is zo’n bijzondere straat. Hier zijn alleen maar kleine, sfeervolle winkeltjes. En er heerst onderling een leuke collegiale sfeer.”


WIE
Riki van Dorp en Ruud Kamphuis
WAT
Ervede Antiek & Brocante
WAAR
Geerstraat 32, Kampen
WEBSITE
www.antiekenbrocante.eu

woensdag 15 juni 2016

Pianist kiest graag het zwerk

Elke week bevragen we een streekgenoot over financiële kwesties. Ditmaal Maarten van Veen uit Schalkhaar. Hij is pianist, dirigent van o.a. het Doelen Ensemble en artistiek leider van het Hortus Festival.

Door Margaretha Coornstra

Waaraan geef jij graag je geld uit?

,,Aan vliegen. Dat is mijn grote passie.”

 Hoe lang vlieg je al?

,,Ik begon op mijn veertiende met zweefvliegen, op Terlet. Alleen duurt het bij zweefvliegen erg lang voordat je voldoende uren hebt gemaakt om je brevet te halen. En in het begin was het  nog vrij goedkoop, maar het werd uiteindelijk 1 gulden per minuut. Daarom ben ik gaan motorvliegen, in Duitsland. Want in Nederland betaalde ik toch nog 26 keer 100 gulden. In Duitsland kon je destijds met een abonnement veel goedkoper vliegen dan in Nederland. Bovendien vond ik de Duitse opleiding degelijker.” 

Wat kost een uurtje vliegen vanaf Teuge?

,,Afgerond 80 euro per uur. Wanneer je dan ook nog met iemand samen vliegt en die kosten deelt, is het echt geen dure hobby.”

Zijn de tarieven op alle luchthavens gelijk?

,,Nee, soms betaal je 160 euro per uur. Dan heb je ook een groter vliegtuig, voor vier personen. Maar daar heb ik geen behoefte aan. Al is het wel gezellig om samen met iemand anders te vliegen. Dan komen de gesprekken ook los. Want vliegen doet iets met je, het opent je geest. Als je dat IJsselmeer daar voor je ziet liggen, als een klein plasje… Dan denk je: ‘Wat is de wereld klein! Waar hébben we het over?’ Het relativeert enorm.”

Maar het is ook milieuvervuilend.

,,Ha, dat hoor ik heel vaak. Maar kijk, zo'n vliegtuig heeft een snelheid van 220 à 240 kilometer per uur. In zo’n uurtje verbruik ik zo’n 15 liter. Als ik per auto met 120 kilometer per uur over de snelweg rijd en zie wat ik dan aan diesel kwijt ben, dan blijkt vliegen goedkoper en schoner. En ik moet voor mijn werk vaak in Rotterdam zijn, dus...”

Vlieg jij voor je werk even naar Zestienhoven?

,,Ja.”

Waarom ben je geen beroepspiloot?
,,Dat had gekund. Maar ik vond van jongsaf ook de piano fantastisch. En voor piloten was er destijds weinig kans op een baan, terwijl ik toen in de muziek best wat kon verdienen. Dus werd het conservatorium.”

Hoe is het nu financieel in muziekland?

,,De cultuurbezuinigingen hè? Als dirigent van het Doelen Ensemble houd ik m’n hart vast voor de subsidieverdeling straks in Rotterdam. Terwijl cultuur en creativiteit zo belangrijk zijn voor de mensheid.”

In welk opzicht bijvoorbeeld?

,,Veel mensen hebben in hun werk vooral uitvoerende taken. Maar wanneer iemand zelf dingen moet uitvinden of nieuwe oplossingen bedenken, komt een bepaalde energie vrij. Dat proces dwingt tot nuancering, tot nieuwe gezichtspunten: ‘Als ik dít probeer, wat dan? Of lukt het misschien beter vanuit díe hoek?’ Dus ik vrees dat mensen meer in hokjes gaan denken naarmate er meer creatieve werkplekken verdwijnen. Misschien is het zelfs geen toeval dat de cultuurbezuinigingen samenvielen met de opkomst van een extreemrechtse mentaliteit.”

Leg je weleens ergens geld op toe?

,,In het begin zeker. Soms vond ik een concert te belangrijk om niet te laten doorgaan, ook al moest er eigen geld bij. Net als bij sommige culturele jeugdprojecten die ik in Amerika heb gedaan: omgerekend naar uurtarieven was dat zwaar onderbetaald. Maar dat vind ik niet zo erg. Dat waren die projecten me ruimschoots waard.”
(de Stentor, 15-06-2016)

'Mijn geld & ik': choreograaf & kunsthistoricus Bruno Barat

Wekelijks vragen we een bekende streekgenoot het hemd van het lijf over financiële kwesties. Deze keer: Bruno Barat uit Hattem. Hij is oud-balletdanser bij Het Nationale Ballet, choreograaf, kunsthistoricus en galeriehouder.

Door Margaretha Coornstra

Wie ‘dansen’ zegt, denkt aan glamour. Word je rijk van ballet?

,,Nee! Een dikke vette nee. Hooguit ben je een paar maanden uit de zorgen. Bijvoorbeeld als je solist bent in een productie die goed loopt.”

En aan de internationale top?

,,Ik ken geen balletdansers die rijk zijn geworden, in de betekenis van: vier huizen in het buitenland en een Ferrari voor de deur.”

Wat vind jij een schappelijk inkomen?

,,Voor mezelf, om van te leven? 1200 euro per maand.”

Dat klinkt bescheiden.

,,Als eigenaar van dit pand betaal ik geen huur, dat scheelt. Ik doe de galerie alleen, zonder personeel; dat scheelt ook. Die 1200 euro besteed ik aan boodschappen en zo. En ik reis regelmatig naar Frankrijk, waar mijn familie nog woont.”

Dus je smijt het geld niet over de balk?

,,Volgens mij niet. Bovendien heb ik een levenspartner die goed kan rekenen en oplet dat ik geen gekke dingen doe.”

Wat was je eerste kunstaankoop?

,,Een gouache van Théodule Ribot, een Franse meester. Op mijn 16de gekocht voor 10 Franse francs, op de rommelmarkt. Ik had er toen al een neus voor.”

Bezwijk je ooit voor een te duur schilderij?

,,Na zoveel jaren bijna niet meer. Natuurlijk word ik weleens verliefd op een kunstwerk, maar ik hoef het niet meer per se te hébben. Als galeriehouder maak ik vooral rationele afwegingen. Zo vind ik dat een Hattemse galerie ook werk in huis moet hebben van ‘de vier Hattemers’: Jo Koster, Jan Voerman sr., Jan Voerman jr. en Anton Pieck. Laatst werd er een interessant schilderij van Koster geveild. Ik had voor mezelf besloten dat ik tot 2500 euro wilde gaan. Maar de prijs begon razendsnel snel te klimmen. Ik bood nog 3000, maar nee. Uiteindelijk werd het afgeslagen op 7500 euro! Dat ging dus niet door. Het gebeurt maar heel zelden voor dat ik me niet houd aan de afspraak met mezelf.”

Recent voorbeeld?

,,Een jugendstilvaas van glaskunstenaar Charles Schneider, uit de fabriek Le Verre Français. Daarbij had ik een gevoel: joh, zoiets kom je geen tweede keer tegen! De inkoopprijs? Die kan ik niet zeggen. Maar hij moet wel 6000 euro opbrengen.”

Krijg je weleens koopjesjagers in de galerie?

,,O, zeker. Mensen die van tevoren googelen en prijzen vergelijken, om dan de laagste prijs tegen mij te kunnen gebruiken. Begrijpelijk, maar sommige slaan dan zo’n onvriendelijke, brutale toon aan. Het lijkt wel alsof ze je een inkomen misgunnen. Gelukkig sta ik stevig in mijn schoenen.”

Staan kunst en geld met elkaar op gespannen voet?

,,Ja, geld is een andere dimensie dan kunst. Sta je te mijmeren bij een schilderij: ‘Oh, wat mooi…!’ Maar dan komt de vraag: ‘Wat kost het?’ Het antwoord blijkt soms een koude douche. Ik vind het een grote verantwoordelijkheid, die vertaalslag van schoonheid naar geld.” 

donderdag 2 juni 2016

'Mijn Geld & ik': schaapherder Chris Grinwis

(Foto Condesign)
'Sappelen met de schaapskudde'

Wekelijks vragen we een bekende streekgenoot het hemd van het lijf over financiële kwesties. Deze keer: schaapherder Chris Grinwis uit Epe.

Door Margaretha Coornstra

Schapen hoeden, daar word je vast niet rijk van?

,,Nee, en dat hoeft ook niet. Mijn werk is mijn passie. Maar ik zou wel graag een fatsoenlijke boterham verdienen.”

Lukt dat niet?

,,Ongelogen: ik werk 60 tot 70 uur per week en leef op bijstandsniveau.”

Je bent een ‘traditioneel herder’. Wat betekent dat?

,,Als traditioneel herder hoed je minimaal negen uur per dag. Maar er zijn ook schapenhouders die stukken hei afzetten met netten, zodat de schapen niet weglopen. Af en toe kijken ze even. Ja, zo kun je wel drie kuddes per dag doen. Die concurrentieslag is er ook nog.”

De provincie Gelderland stelt toch twee miljoen voor schaapskuddes beschikbaar?

,,Ho even! Die twee miljoen zijn voor elf schaapskuddes en tien schaapskooien, ja. Verdeeld over zes jaar, waarvan er al twee voorbij zijn. Drie ton gaat naar tien schaapskooien. Blijft zeven ton over voor exploitatie van elf schaapskuddes. Maar de kosten van één kudde bedragen al een ton.”

Je beroep heeft zo’n idyllisch imago.
,,Dat is soms lastig. ‘U hebt toch maar weinig nodig? Uw schapen eten gratis op de hei!’ hoor ik vaak. Toch ben ik ’s winters dagelijks 150 euro aan voer kwijt. Maar veel toeristen zien de kudde als landschapsstoffering. Als ik voor elke foto een tientje kreeg…”

Ideetje?

"Ha! Laatst kwam er een stelletje met trouwplannen. Vraagt die jongen: ‘Kunt u dan-en-dan om zo-en-zo laat daar-en-daar zijn?” Voor hun trouwfoto’s dus. Ik vraag: ‘Wat schuift het?’ De verbázing van die jongen!”

Komt het door die beeldvorming dat herders onderbetaald werken?

"En doordat de schapenhouderij in Nederland economisch niet van belang is. In Duitsland, Frankrijk en Engeland staat het ambacht hoger aangeschreven en is de professionaliteit groter. Volg je hier de opleiding Veehouderij, dan mag je Schapenhouderij als bijvak kiezen. In Duitsland is het een zelfstandige opleiding en ben je pas na zes jaar ‘Schäfermeister’. De belangenbehartiging van herders is er ook beter geregeld.”

Snappen de Nederlandse beleidsmakers jullie probleem?

"Als Schaapherdersgilde hebben we aangedrongen op onderzoek. Dat is gebeurd, in opdracht van EZ. Een dezer dagen verschijnt het rapport van Alterra. Ik kan je nu al verklappen dat een herder werkt met een gemiddeld tekort van 25.000 euro per jaar.”

Hoe overleef je dan?

"Dankzij een voederleverancier die bereid is om geduldig op z’n geld te wachten. En ik draag veel ‘krijgertjes’: dit overhemd was eerst van m’n zwager. De auto is 15 jaar oud en heeft ruim 2,5 ton gelopen. Ik rijd 120 kilometer per dag, want mijn kudde staat in Harderwijk.”

Geef je ooit voor je plezier geld uit?

"Als het kón, zou ik graag zelf een motorfiets in elkaar zetten. Daarvan droom ik al sinds m’n achttiende. Maar dat kost 20 á 30 mille. Ik heb nu een motor van 600 euro. Daarmee rijd ik misschien 2000 kilometer per jaar.”

(Stentor,  2016)

maandag 30 mei 2016

Dansen om te overleven

De theaterproductie ‘Dansen met de vijand’ is gebaseerd het gelijknamig boek van Paul Glaser. Zijn tante Roosje – een levenslustige vrouw en succesvolle danslerares – overleefde Auschwitz. Bij thuiskomst in Nederland werd ze als ‘fout’ bestempeld.

Door Margaretha Coornstra

"Ik groeide op als katholieke jongen,” zegt Paul Glaser (1947). "Ik ben zelfs nog misdienaar geweest.” Pas na zijn 35ste deed hij twee ontdekkingen, die een nieuw licht wierpen op wat hij ‘een onbezorgde jeugd’ noemt.
Ten eerste kwam er een telefoontje van een meneer uit Naarden, met de vraag of hij familie was van Roosje Glaser. Er was namelijk een oude dame overleden en in haar bureau lagen brieven die ze had geschreven vanuit Westerbork en kamp Vught. Zo ontdekte Paul Glaser dat zijn familie Joods was en dat zijn tante Roosje in een concentratiekamp had gezeten. "Natuurlijk heb ik mijn vader daarmee geconfronteerd. Maar die reageerde afwerend: ‘Praat er alsjeblieft niet over, want vroeg of laat wordt het tegen je gebruikt.’ Dus liet ik het erbij.”
De tweede ontdekking kwam tijdens een conferentie in Krákow, toen hij met een groep het nabijgelegen kamp Auschwitz bezocht. "Ikvond dat soort bezoeken altijd een vorm van ramptoerisme, maar ik ging toch mee. We liepen langs vitrines met bergen schoenen,  bergen brillen, bergen koffers…  En plotseling zag ik op die ene koffer mijn familienaam: Glaser, Nederland.”
Vanaf dat moment verdiepte hij zich in zijn familiegeschiedenis en het Jodendom. En hij schreef zijn boek ‘Dansen met de vijand’. Roosje Glaser was namelijk danslerares. En dat bleef ze, ook onder de meest groteske omstandigheden.
 
Het was Roosjes ex-man Leo, een NSB-sympathisant, die haar als eerste verraadde. Glaser: "Een Jodin mocht geen dansschool exploiteren, dus moest ze haar werk opgeven. Toen is ze eerst illegaal op zolder doorgegaan. Later heeft een vriend haar opnieuw verraden, voor vijftien gulden.”

Via Westerbork en Vught kwam Roosje Glaser in Auschwitz terecht. Daar werd ze proefpersoon in de medische experimenten van Mengele. ,,Maar die experimenten werden zó zwaar, dat ze weigerde. Daarom werd ze voor straf te werk gesteld bij de gaskamers: zij moest aan gevangenen, die dachten dat ze gingen douchen, handdoeken uitdelen en na afloop de lijken uit elkaar halen. Dat heeft ze zes weken volgehouden, totdat ze tussen die lijken een nichtje zag liggen."

Roosje vroeg overplaatsing aan; een verbijsterend assertieve reactie. "De meeste mensen zouden zich in zo’n kamp zo klein mogelijk maken. Maar zij stapte overal op af.”
Roosje kreeg inderdaad ander werk, in een granatenfabriek. Weldra gaf ze zelfs danslessen aan Duitse SS’ers: “Daar kreeg ze dan een brood voor, dat ze deelde met medegevangenen. Maar ze kreeg ook een relatie met een Duitser. Dat is bizar. De hele situatie was bizar.”

Roosjes broer − de vader van Paul Glaser − overleefde de oorlog als onderduiker. ,,Toen hij met zijn katholieke vriendinnetje trouwde, mijn moeder dus, besloten ze dat ze hun kinderen nooit met die Joodse familiegeschiedenis zouden belasten. Ook tante Roosje praatte er nooit over. Mijn zus en ik hadden geen idéé.”
 
Hoe reageerde Paul Glaser achteraf op die zwijgzaamheid? "Eerst maakte ik mijn vader natuurlijk verwijten: 'Wat denk je wel, het is ook míjn familie!’ Maar later heb ik veel Joodse mensen ontmoet wier ouders een kampverleden hadden. Vaak had dat een soort druk op hun gezin gelegd. Het moet voor mijn vader moeilijk zijn geweest om ons voor zo’n geheim te behoeden. Toch hebben we als kind nooit iets aan hem gemerkt.”

Regisseur en scriptschrijver Erris van Ginkel bewerkte ‘Dansen met de vijand’ voor theater. "Het boek intrigeerde me, doordat het de standaard denkwijze in ‘goed’ en ‘fout’ op z’n kop zet.” Al was de vertaalslag naar theater niet eenvoudig. "Er zijn twee verhalen. Het verhaal van Paul, die Roosjes brieven leest en ontdekt dat hij van Joodse afkomst is. En het verhaal van Roosje zelf. Hoe laat je beide verhalen tot hun recht komen?”

Van Ginkel koos voor een sobere bezetting met drie acteurs. “Roosje als jonge vrouw, Roosje als oudere vrouw en een acteur die alle mannen speelt: de gefrustreerde echtgenoot, een SS'er in het kamp, maar ook Paul zelf. Doordat één persoon alle kanten op geslingerd wordt, krijgt het stuk meerdere lagen. Dat Roosje danste, is theatraal een fijne invalshoek. Dat maakt allemaal wat lichter en biedt ruimte voor humor. Dat is belangrijk. Zodra je kunt lachen, sta je ook open voor andere emoties; dan huil je ook makkelijker. Zo werkt dat echt, dat merk ik bij dit stuk heel duidelijk.”

De voorstelling bevat liedjes van Roosje zelf, gemaakt in kamp Westerbork om daarmee andere gevangenen te amuseren. “Dan hebben die stumpers ook nog wat," schreef ze. Paul Glaser: ,,Later zei ze: ‘Ik deed zulke dingen niet alleen om mensen te helpen, maar ook om zelf mens te blijven.’ Ze zag altijd de mens achter de ander, ongeacht afkomst of nationaliteit.”
Hoe anders dacht men destijds in naoorlogs Nederland. Want eenmaal teruggekeerd viel Roosje Glaser in de categorie ‘fout’, vanwege haar verhouding met een Duitser.
 
Paul Glaser: "Ach, mensen hanteren graag strakke indelingen, om hun gedachten overzichtelijk te houden. Tegenwoordig geef ik gastlessen aan schoolklassen. Dat zijn vaak bonte gezelschappen: meisjes met hoofddoeken, maar ook oer-Hollandse types. Daar vertel ik dan hoe ik vroeger niets van het Jodendom afwist, maar de kennismaking met die cultuur als verrijkend heb ervaren. Dat ik nieuwe mensen leerde kennen en dingen beter ging begrijpen. Want dát wil ik die kinderen vooral op het hart drukken: verdiep je alsjeblieft in de achtergrond van de ander. Dat verrijkt je leven."


(de Stentor, 14-04-2016)


Dansen met de vijand - Muziektheater 
Met Valéry van Gorp, Truus te Selle, Mike Weerts (regie Erris van Ginkel, muziek Maurits Fondse)
t/m 22 mei in diverse theaters 
Speellijst: www.dansenmetdevijand.nl

Dansen met de vijand - Expositie 
15 april t/m 8 januari 
Nationaal Monument Kamp Vught
Lunettenlaan 600
5263 NT Vught
073 656 67 64
www.nmkampvught.nl

'Uniek' Vestingval viert eerste lustrum


Door Margaretha Coornstra

ELBURG - Het eerste lustrum van Vestingval Elburg is een feit. Voor het vijfde jaar op rij fungeert de vierkante kilometer van Elburger binnenstad als één grote expositieruimte.
Zowel qua stijl als materiaalgebruik is de variatie verbluffend. ,,Kijk, we hebben nog extra verscheidenheid aan kunnen brengen,” constateert festivalvoorzitter Mariet Boersma-van Krimpen. Op haar laptop klikt ze enthousiast de ene foto na de andere aan. Traditiegetrouw ligt het accent op beeldende kunst, waarbij ditmaal meerdere toegepaste kunstvormen te bewonderen zijn. Zoals het curieuze lucifermeubilair van Kees Moerbeek (Nijmegen), het fascinerende glaswerk van Christel Burghoorn (Enschede) of de extravagante lampen van Ayala Serfaty (Tel Aviv). De statige Vischpoort herbergt een video-installatie van Marlijn Franken en het Museum Sjoel toont een metersgroot doek van Eli Content (beiden uit Amsterdam).

Toch huldigt Vestingval Elburg allerminst het principe ‘wat je ver haalt is lekker’. Ruim de helft van de deelnemers komt uit deze  regio, zoals Susanne Maria Wolf (Kampen), Ruth van Exel (Noordeinde) en Marieke Ten Berge (Oosterwolde). ,,Mensen denken weleens dat we geen aandacht zouden besteden aan kunstenaars uit de omgeving, terwijl die toch bij élke editie vertegenwoordigd waren," verwondert Mariet Boersma zich. Dat regionale aspect komt vooral naar voren bij de podiumkunsten, in diverse genres: van klassiek tot jazz, van poëzievoordracht tot orgelspel. Zo zijn er muzikale optredens van celliste Marieke Rouw en jazzduo SaxyBlack uit Zwolle en Susterenkoor St. Agnes uit Elburg. Boersma: ,,En dit jaar hebben we voor het eerst ook jeugdtheater! Op 7 mei zal de musicalgroep van centrum Cultuurkust het stuk ‘Celblok Nunspeet’ maar liefst vier keer achter elkaar opvoeren.”

Overigens kan dit eerste lustrum in materieel opzicht niet al te uitbundig worden gevierd. Want financieel is het nog altijd geen vetpot, volgens Mariet Boersma: ,,De gemeente Elburg heeft weliswaar een eenmalige subsidie verstrekt, maar de provincie Gelderland geeft alleen nog geld aan grote evenementen. Verder zijn er een paar kleine bijdragen van sponsoren.”
Vestingval drijft dus voornamelijk op vrijwilligers. ,,Maar daar zijn we niet uniek in,” beseft Boersma. ,,Wél uniek is dat we al vijf jaar lang een meerdaags evenement neerzetten dankzij medewerking van Elburgse musea, winkeliers en particulieren, die allemaal gratis hun panden beschikbaar stellen. Een evenement waarvoor de stad niet hoeft te worden afgezet en ook geen parkeerplaats ontruimd, en dat bovendien geen dure veiligheidsmaatregelen vergt. Daarmee zetten we Elburg toch aardig op de kaart, dacht ik zo.”


5 t/m 14 mei (behalve zondag). Meer info: www.vestingvalelburg.nl

(Stentor, begin mei 2016)

zondag 29 mei 2016

Vergeten parels uit Nederlandse opera’s


Sopraan Jolien De Gendt, tenor Denzil Delaere & pianist Pieter Dhoore

Muziekjournalist René Seghers werkt aan een immens meerjarenproject: ‘401NederlandseOperas’, een naslagwerk over de Nederlandse opera van 1680 tot heden. Aanstaande zondag klinken in Rijksmuseum Kröller-Müller alvast enkele wereldpremières van vergeten Nederlandse meesterwerken.

Door Margaretha Coornstra

Jan van Gilse, Richard Hageman, Willem Landré… Geen namen die de doorsnee operaliefhebber meteen doen opveren. Toch verdient hun oeuvre aandacht, vindt opera-expert en publicist René Seghers. Intensief speurwerk leerde hem dat er tussen 1680 en nu ruim vierhonderd Nederlandse opera’s zijn gecomponeerd. ,,En elk jaar komen er zo’n vijftien bij,” weet Seghers. ,,Ik dacht: het is onmogelijk dat in zóveel opera’s nul mooie aria’s zouden zitten. En inderdaad, ik ontdekte parels waarvan ik niet wil zeggen: ‘Verdi en Puccini zijn er niks bij’, maar ze doen er ook niet voor onder.”
In het Kröller-Müller Museum klinken zondagmiddag Nederlandse operafragmenten van rond de eeuwwisseling. Seghers: ,,Meestal worden die componisten weggezet als epigonen van Brahms of Debussy. Dat is ten dele waar. Maar in hun dénken waren ze vaak heel non-conformistisch.”
Als voorbeeld noemt hij Gerard von Brucken Fock (1859-1935). “Van adel, maar overtuigd communist. Hij was ook diep religieus, met een mystieke inslag. En hij sloot zich aan bij het Leger des Heils vanwege de maatschappelijke betrokkenheid. Zijn ‘Jozal’ is in feite een religieus-marxistische opera, met autobiografische elementen.”

‘401NederlandseOperas’ heet dit immense project waarin Seghers al die opera’s beschrijft. Website en naslagwerk groeien gestaag. Seghers wordt in zijn monnikenwerk bijgestaan door Anthony van der Heijden, ook een gepassioneerd operakenner, die de organisatie regelt. Zoals een concertreeks, die het publiek laat kennismaken met operafragmenten van eigen bodem. Want, zegt Van der Heijden: ,,Alleen een boek, dat werkt niet. Mensen willen er een klankbeeld bij.”
Seghers: ,,Ons doel is: repertoire ontsluiten. Van werken na 1945 bestaat meestal wel een opname. Maar van veel vooroorlogs werk resten ons alleen manuscripten, die we moeten digitaliseren en bewerken. Daar gaat al gauw vijf jaar inzitten. Maar wij zijn twee doorzetters.”

Dat laatste gold evenzeer voor de componisten wier werk hij promoot. ,,Die droomden ervan om een opera componeren. Dat betekende jaren werk − op de bonnefooi. Want er was geen Ministerie van OCW dat opdrachten of subsidies gaf. En toch schreef Jan van Gilse zijn meesterwerk ‘Helga von Stavern’, wetend dat de partituur waarschijnlijk in zijn bureaula zou belanden.”
Van der Heijden vult aan: ,,Sinds de Reformatie gold het in Nederland als ‘niet netjes’ wanneer je beroepsmatig componeerde. Schilders en schrijvers werden nog wel geaccepteerd. Maar musicus of acteur, dat was geen respectabel vak.” Seghers: ,,Kijk naar het katholieke Vlaanderen, dat zelfs na de bezuinigingen nog tig operahuizen heeft. Nederland heeft er maar eentje, en dat pas sinds 1987.”

Het concert in het Kröller-Müller (door drie zangers,  viool en piano) past in de promotie-tournee. ,,De programma’s kun je thematisch variëren,” vertelt Seghers enthousiast. ,,Voor Otterlo nemen we muziek uit de tijd van Helene en Otto Kröller-Müller. Maar voor een locatie in Friesland zou je Friese componisten kunnen kiezen. Denk aan Richard Hageman: zijn ‘Caponsacchi’ is zelfs in de New Yorkse Metropolitan opgevoerd, als enige Nederlandse opera ooit. Hageman was in 1939 ook de allereerste Nederlandse Oscarwinnaar voor filmmuziek. Ja, meestal wordt zijn naam op z’n Amerikaans uitgesproken. Maar vergis je niet: de uitvinder van de John Wayne-sound was een Fries uit Leeuwarden!”


Rijksmuseum Kröller-Müller, 29 april, 15:30 uur. Zie ook www.401NederlandseOperas.nl

(de Stentor, 26-05-2016)

vrijdag 13 mei 2016

Mijn geld & ik: fotograaf/auteur Jane Lasonder

(De Stentor, katern Geld & Goed, 11-05-2016)


Elke week bevragen we een streekgenoot over financiële kwesties. Ditmaal Jane Lasonder uit Zwolle. Binnenkort verschijnt haar boek ‘Rood Licht’ (‘Red Alert’) bij uitgeverij Scholten. Hiervoor interviewde ze slachtoffers van mensenhandel.

Door Margaretha Coornstra

Hoe is het je vergaan sinds je in 2013 debuteerde met je autobiografie ‘Jane’?

,,Sindsdien werd ik vooral veel gevraagd als ervaringsdeskundige, om lezingen te geven over kindermishandeling en seksueel misbruik.”

Gratis?

,,Nee, maar van dat geld kocht ik weer boeken om uit te delen. Bijvoorbeeld aan tbs-klinieken en gevangenissen. Dat is belangrijk. Ikzelf ben nog goed terechtgekomen, maar veel vrouwen belanden na zo’n traumatische jeugd in armoede of de criminaliteit. Daarom wil ik dat ook gevangenispersoneel begrijpt hoe iemand op het verkeerde pad kan raken.”

En de royalties?

,,Daarmee heb ik iets symbolisch gedaan: een reis met mijn gezin naar Israël. Daar heb ik vroeger jarenlang gewoond. Ik heb er zware tijden gekend, maar ook veel goeds ondervonden. Ik leerde er nota bene mijn man Rob kennen! Dus ik vond het passend om samen nog eens terug te gaan.”

Wat bracht je als fotograaf/auteur naar de Amsterdamse Wallen?

“Via die lezingen kwam ik in contact met de stichting Bright Fame, die opkomt voor vrouwen die gedwongen in de prostitutie zitten. Meestal meisjes uit Oost-Europa, slachtoffers van mensenhandel, die ontvoerd en verkracht zijn. Ze worden mishandeld, geïsoleerd, gehersenspoeld en tenslotte achter het raam gezet.”

Wat verdienen zulke meisjes?
 
,,Niks. Alles gaat naar hun pooier. Ze moeten zo’n 1000 euro per dag binnenbrengen, maar in het begin is dat hooguit 450 euro. Dus worden ze afgetuigd en moeten ze 's nachts doorwerken. Ze krijgen bijna geen slaap, maar wel cocaïne om voldoende klanten te kunnen afwerken. Er gaat internationaal 150 miljard om in de seksindustrie, maar die meisjes zien daar niets van terug.”

Gaat ‘Rood Licht’ veel opleveren, denk je?

,,Hopelijk wel, maar zelf wil ik geen geld verdienen over de rug van vrouwen in nood. Wat moet ik ermee, een nieuwe tv kopen? Ik wil alleen uit de kosten komen. 50 procent gaat naar Bright Fame, de rest naar vergelijkbare organisaties in Engeland en Israël. En misschien geef ik op persoonlijke titel no iets aan mensen die erg krap zitten.”

‘Rood licht’ komt ook in het Engels uit…

,,Ja, en stel nu eens dat het ook gaat lopen in de VS en Australië, dan gaat dat geld naar de International Justice Mission, een organisatie tegen mensenhandel.”

Niet naar een dagje shoppen?

,,Nee, dat is niks voor mij. Ik draag nu een bloes van mijn dochter en deze schoenen zijn vier jaar oud.”

Noem eens een echte grote uitgave?

,,Mijn camera: 4000 euro! Ik fotografeer vaak concerten, dus wilde ik een camera waarmee ik ook in een donkere zaal kan werken.”

Dat is dus een keurige investering. Heb je geen ‘guilty pleasures’?

,,O ja, dat wel. Chocolade en ijs! Die koop ik ook alleen van de dure merken. Häagen-Dazs, Tony Chocolonely… Goedkope chocola vind ik vies.” 

(de Stentor, 11-05-2016)

vrijdag 15 april 2016

'De Speciaalzaak': De Oude Bank in Zwolle

De Stentor,  Katern &, 15-04-2016


Ze zijn er nog: echte speciaalzaken van ondernemers die niet uitgepraat raken over hun product. Zoals Geja van de Wetering van De Oude Bank in Zwolle.

Tekst Margaretha Coornstra

Ooit was Geja van de Wetering uitvaartondernemer. ,,Een mooi beroep. Maar na tien jaar werd het tijd voor iets anders." Ze begon een woonwinkel en kwam zo terecht bij haar huidige specialisatie. ,,Zes jaar geleden werden we uitgenodigd voor een presentatie in Den Haag, van een krijtverfmerk. Daarmee is het begonnen. Inmiddels werken wij met een ander merk. Veel mensen menen dat alle krijtverf één pot nat is, maar dat klopt niet. De verf die we nu verkopen, Vintage Paint uit Denemarken, heeft een heel taai, elastisch bindmiddel.”

Veel mensen associëren krijtverf met brocante. Maar Geja weet wel beter. Ze heeft ook klanten die juist een strak interieur willen en daarvoor even dankbaar gebruik maken van de typische krijtverfeigenschappen. Zoals de toepasbaarheid op vele oppervlakken, zonder het uitputtende voorwerk van afbijten of -branden, schuren en gronden.

In Apeldoorn bevindt zich ook een filiaal van De Oude Bank, vertelt Geja. ,,Daar worden wekelijks gratis workshops gegeven.”
Het Zwolse pand herken je al van verre aan de loodgrijs geverfde buitenmuren en de blauwgroene deur. Zowel de voorgevel als het interieur van de winkel fungeert als proeftuin. Binnen voeren zilvergrijs, oudblauw en gebroken wit de boventoon. Muurverf van het merk L’Authentique op de wanden, Vintage Paint op kozijnen, meubilair én vloer. Want jazeker, krijtverf is ook geschikt voor vloeren: van hout, beton of steen tot en met geglazuurde plavuizen.

,,Kom maar mee," wenkt Geja van de Wetering. Ze loopt naar het aangrenzende keukentje. De tegelvloer die aanvankelijk terracotta was, is nu klassiek zwart-wit geblokt. “We hebben alles eerst helemaal witgeverfd, ook de voegen, en pas daarna de zwarte vlakken aangebracht. Het zit er nu al twee jaar op.”
Maar grijpt zo’n matte laag dan geen vuil aan? ,,Je moet het afwerken. Blanke boenwas met een kwast opbrengen, 24 uur laten inwerken en dan uitpoetsen. Daarna kun je de vloer gewoon dweilen.”

De gekrijtverfde meubels in de winkel zijn eveneens afgewerkt met boenwas. Geja klopt op het tafelblad: ,,Deze hebben we met een kwast geverfd, zie je de streken? Dat staat natuurlijk wel stoer. Maar als je een glad resultaat wilt, gebruik je een rollertje.” Ze wijst op een witte fauteuil met zacht-glanzende bekleding: ,,Je kunt zelfs textiel verven. Kijk, het patroontje schemert hier nog doorheen." Al moet de stof niet pluche- of velours-achtig zijn, voegt ze eraan toe. “Want bij hoogpolige stoffen worden die rechtopstaande draadjes hard.”
Geja’s betrokkenheid gaat verder dan verf verkopen. ,,Ik geef ook interieuradviezen. Laatst nog was hier een stel dat iets anders wilde. Ze hadden foto’s meegenomen en daarop zag ik een klein, blauw vaasje. Ik zei: ‘Als je dat blauw nu eens als uitgangspunt nam...’ Van het een kwam het ander. En dankzij een andere kleurstelling en een paar potten verf hebben ze nu een heel nieuw interieur."

WIE
Geja van de Wetering
WAT
De Oude Bank, krijtverven en verfbenodigdheden
WAAR
Nieuwe Deventerweg 73, 8014 AD Zwolle
WEBSITE
www.de-oude-bank.nl


maandag 11 april 2016

De ‘Johannes’ volgens Jacobs

Nieuwe historische inzichten inspireerden René Jacobs tot een eigen benadering van Bachs Johannes Passion. Wanneer deze Luister nr. 714 uitkomt, zal de CD-box vermoedelijk nét zijn verschenen.

Tekst: Margaretha Coornstra

‘Dramatisch’ is een woord dat steevast valt zodra we het over Bachs Johannes Passion hebben. Meerdere operaregisseurs lieten zich zelfs verleiden tot een enscenering. René Jacobs heeft daarmee nochtans weinig op: “Er zijn wel verschillende karakters als Jezus, Petrus en Pilatus. En die zingen wel, maar daarmee zijn het nog geen operarollen,” legde hij uit in maart 2015, tijdens een interview met Deutschlandradio Kultur. “Je kunt eigenlijk niet zeggen: bas X zingt de Christuspartij. Want het is geen partij, het zijn de woorden van Jezus.” Natuurlijk, Bach gebruikte wel muziekdramatische middelen, zoals de expressieve recitatieven en buitengewoon virtuoze koren. “Maar,” zei Jacobs, “het krijgt nergens de ijdelheid van opera.”
Die laatste conclusie is terug te horen in ‘zijn’ gloednieuwe Johannes Passion. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, is er nog geen CD voorhanden. Wel 45 ongetitelde WAV-bestanden, die in willekeurige volgorde mijn mailbox hebben bereikt. En al viert expressie daarop hoogtij, het blijft een subliem evenwicht tussen historisch geïnformeerd zijn enerzijds (daarover straks meer) en rijkgeschakeerde emotie anderzijds. Met, inderdaad, subtiel uitgelichte dramatische momenten.

De Akademie für Alte Musik Berlin bespeelt instrumenten die Bach zelf idealiter voor oren stonden. Zoals de luit (vaak nagebootst door getokkelde violen) en de zeldzame viola d’amore (meestal vervangen door violen met sordino). Maar ook verder is deze Johannes Passion allesbehalve doorsnee. Grondig archeologisch graafwerk leidde tot onverwachte instrumentale of vocale bezettingen en soms afwijkende tempi. Er is zelfs een intrigerende ‘Appendix’ met onbekende fragmenten. Want wat blijkt? Er bestaat helemaal niet zoiets als ‘de’ Johannes Passion.
Sowieso bestonden er voor Bach geen definitieve versies van zijn composities. Telkens weer paste hij bestaand werk aan of verwerkte er nieuwe ideeën in. Zo ook bij de Johannes, waarmee hij zich vanaf 1724 tot kort voor zijn dood in 1750 bleef bezighouden, ruim 26 jaar. Een tijdbestek waarbinnen zowel muziekstijlen als theologische visies evolueerden. En dan had Bach ook regelmatig nog te kampen met onderbezetting − met alle ad hoc wijzigingen van dien.
Musicoloog Konrad Küster geeft van dit proces een grondige uiteenzetting van ruim 3000 woorden, gevolgd door de ‘Opmerkingen bij de opname’ van René Jacobs zelf, die nog eens een kleine 2000 woorden beslaan. Leesvoer genoeg dus, en allemaal warm aanbevolen. Essentieel punt: de versie die op Goede Vrijdag 1724 in de Leipziger Nikolaikirche in première ging (en die Jacobs nog altijd als basis dient) verschilde aanzienlijk van de opvoering in 1725, in de Thomaskirche. Bach had de Passion van andere openings- en slotkoren voorzien en ook enkele aria’s had vervangen. Wat van die versie bewaard is gebleven, horen we in de Appendix.

Dan de opnamen zelf. Voor het koor wenste Bach zich altijd het minimum van zestien zangers, al moest hij het regelmatig met minder stellen. Dat aantal heeft Jacobs aangehouden. De begrenzing tussen koor en solisten is minder scherp dan we gewend zijn: “Voor onze vier ariazangers, die allemaal ook thuis zijn in de operahuizen, betekent meezingen in het koor een test in nederigheid, tot glorie van God alleen,” aldus Jacobs. “Bij het mengen van subjectief getimbreerde solostemmen met objectieve, homogene koorstemmen, moeten de solisten een beetje subjectiviteit opofferen en de koorzangers een beetje objectiviteit; en ook dat betekent een devote oefening die alleen maar heilzaam kan zijn voor Bachs muziek.”
Inderdaad zingt het koor nu eens sluik en sober, dan weer fel en virtuoos, maar altijd ten dienste ván. Het bekende slotkoraal ‘Ach Herr, lass Dein lieb’ Engelein’ klinkt ditmaal niet licht en ijl zoals je vaak hoort, maar breed en gedragen. Zulks in tegenstelling tot de koraalfantasie uit versie 1725 (Appendix): ‘Christe, Du Lamm Gottes’, dat ontroert door breekbaarheid en inkeer.
Maar ook is daar de verrukkelijke vaart in “Eilt, eilt!” met vloeiende coloraturen in koor, orkest en solist – alles valt samen tot één meeslepend geheel. In het soldatenkoor “Lasset uns die nicht zerteilen” speelt het solokwartet een prominente rol, evenals in het slotkoor “Ruhet wohl”.
Bij de zangsolisten excelleren vooral de mannenstemmen. In de toelichting wordt nog eens aangestipt dat elke uitvoering staat of valt met de evangelist. En wat kunnen we ons dan gelukkig prijzen met Werner Güra: een begeesterd verteller, die bovendien kristalzuiver intoneert.

In de slotalinea van zijn ‘Opmerkingen bij de opname’ heeft René Jacobs nog een dringend verzoek aan de luisteraar: om die vijf nummers van de Appendix, overgebleven uit de Johannes Passion anno 1725, toch vooral niet over te slaan. “Deze Johannes Passion, zo anders van sfeer, verdient het om in haar geheel te worden beluisterd. Misschien hebben we, in ons tijdsgewricht dat schreeuwt om vertroosting, deze minder bekende versie meer nodig dan de gangbare.”


J.S. Bach: Johannes Passion.
Akademie für Alte Musik Berlin & RIAS Kammerchor Berlin o.l.v. René Jacobs.
Harmonia Mundi HMC 802236

'Luister niet naar Mozart'

(Flyer Kameroperahuis)
Hoe natuurlijk is echtelijke trouw? En hoe bevrijdend is polygamie?
Deze prikkelende vragen komen aan bod in ‘Why nobody should listen to Mozart’. Een theaterproject van The Young Ones in samenwerking met Kameroperahuis.



Door Margaretha Coornstra

Het begon allemaal in 2015, met een plan van de Nederlandse Reisopera. Of Kameroperahuis een eigentijdse variant wilde organiseren op hun uitvoering van Mozart’s ‘Così fan tutte’, bij wijze van randprogrammering? Natuurlijk was het antwoord een hartelijk ja. Regisseur Sjoeke-Marije Wallendal en theaterbroedplaats The Young Ones werden ingeschakeld. Maar weldra groeide hun voorstelling uit tot een zelfstandige productie, met de even schelmse als eigentijdse titel 'Why nobody should listen to Mozart '.
De Italiaanse titel ‘Così fan tutte’ betekent: zo doen ze allemaal. En aangezien ‘tutte’ vrouwelijk meervoud is, hebben we het blijkbaar over vrouwen. En wat doen die vrouwen dan allemaal? Hun mannen bedriegen! Overspel plegen!
"De opera verkondigt een visie op de liefde, met name op vrouwen, die nogal cynisch is,” beaamt Sjoeke-Marije Wallendal. "Een oudere man gaat een weddenschap aan met twee verliefde jonge mannen, over de vraag hoe lang hun verloofdes trouw aan hen zullen blijven.”
Volgens Don Alfonso (zoals de oude filosoof in het libretto van Lorenzo da Ponte heet) hoeven beide jongemannen geen illusies te koesteren. Hij krijgt verschrikkelijk gelijk: binnen 24 uur staan beide jongedames op het punt om met een ander te trouwen.

"Ontrouw is een nood van het hart,” concluderen Mozart en Da Ponte in ‘Così fan tutte’. Met andere woorden: we kúnnen niet anders, de mens is nou eenmaal niet monogaam van aard. Maar klopt dat wel?
Sjoeke-Marije Wallendal: "Wij waren benieuwd hoe ouderen en jongeren daar vandaag de dag tegenaan kijken. Wat is hun visie op de liefde? Waar liggen de verschillen tussen de generaties en in hoeverre komen die overeen met de uit de tijd van Mozart? De huidige ouderen zijn van de generatie die seksuele revolutie heeft meegemaakt. Maar je kunt je afvragen of met de vrije liefde alles nou zoveel makkelijker is geworden. De huidige jongeren hebben vooral te maken met de media: denk aan datingsites en apps als Tinder. Wat doet dat allemaal met hun ideeën over de liefde? En welke rol speelt het begrip trouw daarbij? Hoort trouw bij de liefde, als een soort offer, of is die gedachte puur cultureel bepaald?”

Ziehier de rode draad in ‘Why nobody…’: de discrepantie tussen het verlangen naar trouw enerzijds tegenover het verlangen naar vrijheid anderzijds. Wijst ons ideaal van de eeuwige liefde erop dat we in aanleg monogaam zijn? Of horen polygamie en polyamorie eigenlijk bij onze natuur, maar proberen we krampachtig monogaam te zijn omdat de cultuur ons dat oplegt? De personages verdiepen zich in de kwestie via verhitte discussies, verleidelijke dansen, wetenschap en dichtkunst.

Pikant aspect is dat de verhalen van de spelers echt zijn, zo vertelt Wallendal: ,,Het is meer een documentaire voorstelling over de groep zelf, gebaseerd op hun eigen ervaringen.” Volgens het principe van The Young Ones bestaat de cast uit zorgvuldig geselecteerde amateurs. De voorstelling is Nederlandstalig, met veel gesproken tekst. "Maar,” zegt Wallendal, "in de zang hebben we het Italiaans aangehouden, begeleid door de instrumenten van nu. Dus geen orkest, maar een keyboard en elektrische gitaar.” Toch heeft componist Warre Simons er stellig geen jazz- of R&B-versie van gemaakt, benadrukt ze: "Hij blijft dicht bij de originele noten. Alleen klinken die door de moderne instrumenten wel een beetje vervormd. Dus ook muzikaal is ‘Why nobody should listen to Mozart’ een hedendaagse echo van ‘Così fan tutte.’”

(de Stentor, Uit & Thuis, 07-04-2016)

zondag 27 maart 2016

Christina Pluhar: Muziek als wapen tegen terrorisme

Cover jubileumbox 'L'Amore Innamorato'
In het jaar 2000 richtte de Oostenrijkse barokgitarist, luitist, theorbist en harpist Christina Pluhar haar ensemble L’Arpeggiata op. In vijftien jaar verwierf de groep zich naam en faam als een van de meest eigenwijze en veelkleurige ensembles voor oude muziek. Helaas: het festival in Parijs op 14 en 15 november, waarmee L’Arpaggiata dit derde lustrum had willen vieren, werd op het allerlaatste moment gecanceld.


Tekst: Margaretha Coornstra

Het had zo’n feestelijk weekend moeten worden. Een eigen festival rondom het vijftienjarig bestaan van L’Arpeggiata. Met concerten in de Salle Gaveau te Parijs, gastoptredens, de release van de jubileumbox ‘L’ Amore Innamorato’ en een jam session op zondagavond. 
Maar de aanslagen van vrijdag de dertiende november haalden een bloedige streep door deze rekening. Op de website van L’Arpeggiata citeert Christina Pluhar uit een aria van Francesco Cavalli: ‘Piante ombrose’ en betrekt de tekst op het terrorisme: “Moet de god die de bliksem gebiedt zó genadeloos de aarde verbranden?” 
Dit interview vond plaats op 25 november, twaalf dagen na de tragedie.

Hoe gaat het nu met u?

Christina Pluhar: “Met mij gaat verder wel goed, al was het natuurlijk een enorme schok. Onze eerste reactie op de aanslagen van vrijdagavond was: wij gaan zaterdag en zondag wél spelen! Maar dan als eerbetoon aan de slachtoffers en als troost voor de nabestaanden, want muziek werkt helend. We hadden ons programma al aangepast. Maar pas op het allerlaatste moment, amper twee uur voor aanvang, kregen we bericht dat de Salle Gaveau het uit veiligheidsoverwegingen toch niet aandurfde. Begrijpelijk, maar het was wel een teleurstelling. Ik geloof echt dat er heel veel mensen zouden zijn gekomen. En wij kunstenaars hebben de opdracht om schoonheid door te geven, vooral in deze harde tijden. Het is ons wapen tegen de terreur die ons overweldigt. Het publiek heeft, via allerlei berichten in de sociale media, ons ook in die mening bevestigd: dat ze de muziek juist nu extra nodig hebben.”

L’Arpeggiata heeft componist Francesco Cavalli (1602-1676) gekozen voor de jubileum-cd. Wat was hij voor een man?

“We kunnen nooit echt weten wat voor een man hij zelf nu precies was. Wat we wel zeker weten, is dat de levensomstandigheden destijds heel moeilijk waren, moeilijker dan de onze – even los gezien van de recente aanslagen, uiteraard. In  Venetië had de pestepidemie meer dan vijftigduizend slachtoffers gemaakt; een derde van de inwoners was gestorven. Monteverdi heeft zich vanwege de pest zelfs uit het openbare leven teruggetrokken. En er was oorlog, het Venetiaanse leger had net in mei 1630 een verpletterende nederlaag geleden in de slag bij Vallegio. We spelen dus muziek die onder zware omstandigheden is geschreven.”
Casino
Zoals later het eind van de Eerste Wereldoorlog zou worden gevolgd door de ‘gay twenties’, zo reageerde na de pestepidemie in 1631 ook Venetië op alle doorstane angst en rouw om verloren dierbaren: met een uitbarsting van koortsachtige levenslust, een drang ook wellicht naar vergetelheid. Die drive zorgde voor een opbloei van een ware entertainmentsindustrie. Her en der verrezen theaters in de stad; zelfs het allereerste openbare casino werd gebouwd en kreeg de naam ‘Il Ridotto’. Francesco Cavalli kon zijn muziekdramatisch talent op het juiste moment en de juiste plaats inzetten.

Pluhar: “Cavalli maakte de opera voor een breed publiek toegankelijk. Zojuist zei ik al dat mensen in barre tijden extra behoefte hebben aan schoonheid. En dat gold ook zeer zeker in het Venetië van de zeventiende eeuw. Je ziet daar na 1631 opeens die hele boom van amusement opkomen. Een beroemd voorbeeld is de commedia dell’arte, het geïmproviseerde straattheater dat maatschappelijke kwesties in satire vertaalde. Mensen hadden behoefte aan schoonheid en vertier. Daarom werd het operagenre, waarvoor Monteverdi net de basis had gelegd, ook zo ongelofelijk succesvol.”

Wat is Cavalli’s plaats in de muziekgeschiedenis?

“Cavalli was een leerling van Monteverdi, dat hoor je duidelijk terug in zijn werk. Hij heeft als jongen nog in de San Marco gezongen onder leiding van Monteverdi zelf, wat natuurlijk een geweldig punt is op zijn curriculum vitae. Verder heeft hij zich niet alleen Monteverdi’s techniek eigen gemaakt, maar die ook voortgezet en de operakunst verder ontwikkeld. Als je kijkt naar de recitatieven, die zijn bij Monteverdi nog voornamelijk recitar cantando (zingend spreken, met de nadruk op de tekst – MC) maar Cavalli’s recitatieven zijn ook melodisch werkelijk prachtig.”

Presentatie

Als Pluhar in een paar woorden de kern moet samenvatten van alles wat L’Arpeggiata haar in vijftien jaar heeft gebracht, hoe zou ze dat formuleren? Het lijkt een lastige vraag moeilijk, maar het antwoord komt verrassend snel en blijkt heel eenvoudig. “Het contact met de musici,” zegt ze beslist. “Het komt maar weinig voor dat musici zo lang bij een ensemble blijven en” – ze schiet in de lach – “daar ook zóveel plezier aan beleven!”

Dat is te zien en te horen. Want L’Arpeggiata’s handelsmerken zijn niet alleen de bonte mix aan stijlen en instrumenten, maar ook de ongedwongen presentatie: uitbundig speelplezier en een aanstekelijk savoir-vivre spatten eraf.  De bonus-dvd bevat ook de beroemde podium-act rondom de 'Ciaccona di Paradiso e dell'Inferno’ uit 2009: met een glansrol voor countertenor Philippe Jaroussky, met zijn zinnelijke Elvis Presley-mimiek en dito bravoure. Lacherig, amicaal en tegelijk geconcentreerd, als tijdens een geslaagde repetitie, werpen muzikanten elkaar de bal toe. Niet voor niets staat Christina Pluhar ook bekend als ‘de meesteres van de jam session in de oude muziek’. 

Toch, waar in eerdere albums (zoals ‘Music for a While’, ‘Mediterraneo’, Los Pájaros perdidos’ en ‘Via Crucis’) het accent lag op cross-overs, keert Pluhar met ‘L’Amore Innamorato’ juist weer terug naar haar core business: zeventiende eeuwse muziek op oude instrumenten. En ja, het was een doelbewuste keuze om juist hiermee het jubileum van L’Arpeggiata te markeren. 
“Wij zijn vóór alles een ensemble voor oude muziek," poneert ze uitdrukkelijk. “Natuurlijk is het wel zo dat we per project steeds musici uit verschillende stijlen hebben uitgenodigd, zoals jazz en folk. Maar ook die hebben veel raakvlakken met oude muziek. Neem alleen al de improvisatie, die in de oude muziek net zo’n grote rol speelde als in de jazz en volksmuziek. Bovendien zie je in de volksmuziek veel bijzondere instrumenten die door de eeuwen heen eigenlijk niet of nauwelijks veranderd zijn en dus ook nog steeds binnen de oude muziek passen.”

‘L’Amore Innamorato’ (‘De liefde verliefd’), zo noemde L’Arpeggiata haar jubileumbox. En nee, het gaat hier niet om een integrale uitvoering van Cavalli’s gelijknamige opera; die is helaas verloren gegaan. In plaats daarvan zijn fragmenten uit ’s mans andere opera’s bedachtzaam gerangschikt en is het geheel gelardeerd met enkele instrumentale intermezzi. Zoals de licht melancholische ‘Toccata Prima’ van Giovanni Girolamo Kapsberger; hier door Pluhar zelf op theorbe gespeeld, met een feeërieke sterrenregen aan tokkelklanken. Het is natuurlijk geen toeval dat juist Kapsberger op dit album figureert. Hij was immers de componist die de hoofdrolrol speelde op Pluhars allereerste cd ‘La Villanella’ (Alpha Records) waarop ook de Nederlandse Johannette Zomer te horen is. En over zingen gesproken: wat zijn ook ditmaal de vocalisten −de Catalaanse Núria − Rial en de Tsjechische Hana Blažíková −weer briljant gecast!

Oké, ‘L’Amore Innamorato’ bevat een anachronisme dat ergens ook weer geen echt anachronisme is. Namelijk de weelderige instrumentatie, een keus die Pluhar overigens met verve onderbouwt: “In Cavalli’s tijd waren de operahuizen particuliere ondernemingen die alleen van de kaartverkoop moesten bestaan. Het gevolg was dat het bijna altijd om low budget producties ging. Meestal konden ze zich alleen mini-orkesten permitteren, met maar twee violen enzovoort. Tegelijkertijd weten we ook dat Cavalli bekend was met het veelkleurige palet van de muziek uit die tijd. Vandaar dat ik het besluit heb genomen om zo rijk mogelijk te instrumenteren; omdat ik denk dat Cavalli dat zelf ook liever zou hebben gedaan. Dus ja, we zijn ons ervan bewust dat het orkest in de operahuizen van toen anders heeft geklonken. Maar we weten ook dat dit louter een geldkwestie was.”

Nederland

Tot slot nog even over haar band met Nederland. Want na haar gitaarstudie in Graz kwam Christina Pluhar naar Den Haag, waar ze bij Toyohiko Satoh het  diploma voor luitspel behaalde. Sinds jaar en dag is ze bovendien een trouwe gast op het Festival Oude Muziek in Utrecht. Op 5 september 2015 schitterde L’Arpeggiata opnieuw in TivoliVredenburg met een eigenzinnige versie van Purcell’s ‘Dido and Aeneas’. En in 2016 hoopt ze zeker weer van de partij te zijn.
“Nederland was het eerste land dat een apart festival voor oude muziek heeft opgezet,” memoreert ze nog maar eens even. “Ik speel graag in Nederland, want daar heb je een echt gemotiveerd publiek.”
Een bijzonder compliment van een kosmopolitisch musicienne, die zoveel landen heeft bezocht waar klassieke muziek hoger aangeschreven staat en op meer égards mag rekenen dan in Nederland, waar muziekscholen en orkesten vlijtig worden wegbezuinigd.
 “Ja, maar toch…” Ze aarzelt even en herneemt dan resoluut: “Kijk, ik kom zelf uit Oostenrijk. En het klopt: klassieke muziek maakt daar inderdaad een belangrijk onderdeel uit van het sociale leven. Alleen, veel van de mensen die daar concerten bezoeken doen dat dus ook uit sociale overwegingen. Ze komen om elkaar te ontmoeten, om bij te praten, om hun goede smaak te tonen. In Nederland werkt dat naar mijn idee toch anders. Daar komen mensen naar een concert omdat ze gewoon muziek willen horen.”

Francesco Cavalli: L’Amore Innamorato 
L’Arpeggiata o.l.v. Christina Pluhar
Erato 2564616642



Luister, 22 januari 2016