zondag 27 maart 2016

Christina Pluhar: Muziek als wapen tegen terrorisme

Cover jubileumbox 'L'Amore Innamorato'
In het jaar 2000 richtte de Oostenrijkse barokgitarist, luitist, theorbist en harpist Christina Pluhar haar ensemble L’Arpeggiata op. In vijftien jaar verwierf de groep zich naam en faam als een van de meest eigenwijze en veelkleurige ensembles voor oude muziek. Helaas: het festival in Parijs op 14 en 15 november, waarmee L’Arpaggiata dit derde lustrum had willen vieren, werd op het allerlaatste moment gecanceld.


Tekst: Margaretha Coornstra

Het had zo’n feestelijk weekend moeten worden. Een eigen festival rondom het vijftienjarig bestaan van L’Arpeggiata. Met concerten in de Salle Gaveau te Parijs, gastoptredens, de release van de jubileumbox ‘L’ Amore Innamorato’ en een jam session op zondagavond. 
Maar de aanslagen van vrijdag de dertiende november haalden een bloedige streep door deze rekening. Op de website van L’Arpeggiata citeert Christina Pluhar uit een aria van Francesco Cavalli: ‘Piante ombrose’ en betrekt de tekst op het terrorisme: “Moet de god die de bliksem gebiedt zó genadeloos de aarde verbranden?” 
Dit interview vond plaats op 25 november, twaalf dagen na de tragedie.

Hoe gaat het nu met u?

Christina Pluhar: “Met mij gaat verder wel goed, al was het natuurlijk een enorme schok. Onze eerste reactie op de aanslagen van vrijdagavond was: wij gaan zaterdag en zondag wél spelen! Maar dan als eerbetoon aan de slachtoffers en als troost voor de nabestaanden, want muziek werkt helend. We hadden ons programma al aangepast. Maar pas op het allerlaatste moment, amper twee uur voor aanvang, kregen we bericht dat de Salle Gaveau het uit veiligheidsoverwegingen toch niet aandurfde. Begrijpelijk, maar het was wel een teleurstelling. Ik geloof echt dat er heel veel mensen zouden zijn gekomen. En wij kunstenaars hebben de opdracht om schoonheid door te geven, vooral in deze harde tijden. Het is ons wapen tegen de terreur die ons overweldigt. Het publiek heeft, via allerlei berichten in de sociale media, ons ook in die mening bevestigd: dat ze de muziek juist nu extra nodig hebben.”

L’Arpeggiata heeft componist Francesco Cavalli (1602-1676) gekozen voor de jubileum-cd. Wat was hij voor een man?

“We kunnen nooit echt weten wat voor een man hij zelf nu precies was. Wat we wel zeker weten, is dat de levensomstandigheden destijds heel moeilijk waren, moeilijker dan de onze – even los gezien van de recente aanslagen, uiteraard. In  Venetië had de pestepidemie meer dan vijftigduizend slachtoffers gemaakt; een derde van de inwoners was gestorven. Monteverdi heeft zich vanwege de pest zelfs uit het openbare leven teruggetrokken. En er was oorlog, het Venetiaanse leger had net in mei 1630 een verpletterende nederlaag geleden in de slag bij Vallegio. We spelen dus muziek die onder zware omstandigheden is geschreven.”
Casino
Zoals later het eind van de Eerste Wereldoorlog zou worden gevolgd door de ‘gay twenties’, zo reageerde na de pestepidemie in 1631 ook Venetië op alle doorstane angst en rouw om verloren dierbaren: met een uitbarsting van koortsachtige levenslust, een drang ook wellicht naar vergetelheid. Die drive zorgde voor een opbloei van een ware entertainmentsindustrie. Her en der verrezen theaters in de stad; zelfs het allereerste openbare casino werd gebouwd en kreeg de naam ‘Il Ridotto’. Francesco Cavalli kon zijn muziekdramatisch talent op het juiste moment en de juiste plaats inzetten.

Pluhar: “Cavalli maakte de opera voor een breed publiek toegankelijk. Zojuist zei ik al dat mensen in barre tijden extra behoefte hebben aan schoonheid. En dat gold ook zeer zeker in het Venetië van de zeventiende eeuw. Je ziet daar na 1631 opeens die hele boom van amusement opkomen. Een beroemd voorbeeld is de commedia dell’arte, het geïmproviseerde straattheater dat maatschappelijke kwesties in satire vertaalde. Mensen hadden behoefte aan schoonheid en vertier. Daarom werd het operagenre, waarvoor Monteverdi net de basis had gelegd, ook zo ongelofelijk succesvol.”

Wat is Cavalli’s plaats in de muziekgeschiedenis?

“Cavalli was een leerling van Monteverdi, dat hoor je duidelijk terug in zijn werk. Hij heeft als jongen nog in de San Marco gezongen onder leiding van Monteverdi zelf, wat natuurlijk een geweldig punt is op zijn curriculum vitae. Verder heeft hij zich niet alleen Monteverdi’s techniek eigen gemaakt, maar die ook voortgezet en de operakunst verder ontwikkeld. Als je kijkt naar de recitatieven, die zijn bij Monteverdi nog voornamelijk recitar cantando (zingend spreken, met de nadruk op de tekst – MC) maar Cavalli’s recitatieven zijn ook melodisch werkelijk prachtig.”

Presentatie

Als Pluhar in een paar woorden de kern moet samenvatten van alles wat L’Arpeggiata haar in vijftien jaar heeft gebracht, hoe zou ze dat formuleren? Het lijkt een lastige vraag moeilijk, maar het antwoord komt verrassend snel en blijkt heel eenvoudig. “Het contact met de musici,” zegt ze beslist. “Het komt maar weinig voor dat musici zo lang bij een ensemble blijven en” – ze schiet in de lach – “daar ook zóveel plezier aan beleven!”

Dat is te zien en te horen. Want L’Arpeggiata’s handelsmerken zijn niet alleen de bonte mix aan stijlen en instrumenten, maar ook de ongedwongen presentatie: uitbundig speelplezier en een aanstekelijk savoir-vivre spatten eraf.  De bonus-dvd bevat ook de beroemde podium-act rondom de 'Ciaccona di Paradiso e dell'Inferno’ uit 2009: met een glansrol voor countertenor Philippe Jaroussky, met zijn zinnelijke Elvis Presley-mimiek en dito bravoure. Lacherig, amicaal en tegelijk geconcentreerd, als tijdens een geslaagde repetitie, werpen muzikanten elkaar de bal toe. Niet voor niets staat Christina Pluhar ook bekend als ‘de meesteres van de jam session in de oude muziek’. 

Toch, waar in eerdere albums (zoals ‘Music for a While’, ‘Mediterraneo’, Los Pájaros perdidos’ en ‘Via Crucis’) het accent lag op cross-overs, keert Pluhar met ‘L’Amore Innamorato’ juist weer terug naar haar core business: zeventiende eeuwse muziek op oude instrumenten. En ja, het was een doelbewuste keuze om juist hiermee het jubileum van L’Arpeggiata te markeren. 
“Wij zijn vóór alles een ensemble voor oude muziek," poneert ze uitdrukkelijk. “Natuurlijk is het wel zo dat we per project steeds musici uit verschillende stijlen hebben uitgenodigd, zoals jazz en folk. Maar ook die hebben veel raakvlakken met oude muziek. Neem alleen al de improvisatie, die in de oude muziek net zo’n grote rol speelde als in de jazz en volksmuziek. Bovendien zie je in de volksmuziek veel bijzondere instrumenten die door de eeuwen heen eigenlijk niet of nauwelijks veranderd zijn en dus ook nog steeds binnen de oude muziek passen.”

‘L’Amore Innamorato’ (‘De liefde verliefd’), zo noemde L’Arpeggiata haar jubileumbox. En nee, het gaat hier niet om een integrale uitvoering van Cavalli’s gelijknamige opera; die is helaas verloren gegaan. In plaats daarvan zijn fragmenten uit ’s mans andere opera’s bedachtzaam gerangschikt en is het geheel gelardeerd met enkele instrumentale intermezzi. Zoals de licht melancholische ‘Toccata Prima’ van Giovanni Girolamo Kapsberger; hier door Pluhar zelf op theorbe gespeeld, met een feeërieke sterrenregen aan tokkelklanken. Het is natuurlijk geen toeval dat juist Kapsberger op dit album figureert. Hij was immers de componist die de hoofdrolrol speelde op Pluhars allereerste cd ‘La Villanella’ (Alpha Records) waarop ook de Nederlandse Johannette Zomer te horen is. En over zingen gesproken: wat zijn ook ditmaal de vocalisten −de Catalaanse Núria − Rial en de Tsjechische Hana Blažíková −weer briljant gecast!

Oké, ‘L’Amore Innamorato’ bevat een anachronisme dat ergens ook weer geen echt anachronisme is. Namelijk de weelderige instrumentatie, een keus die Pluhar overigens met verve onderbouwt: “In Cavalli’s tijd waren de operahuizen particuliere ondernemingen die alleen van de kaartverkoop moesten bestaan. Het gevolg was dat het bijna altijd om low budget producties ging. Meestal konden ze zich alleen mini-orkesten permitteren, met maar twee violen enzovoort. Tegelijkertijd weten we ook dat Cavalli bekend was met het veelkleurige palet van de muziek uit die tijd. Vandaar dat ik het besluit heb genomen om zo rijk mogelijk te instrumenteren; omdat ik denk dat Cavalli dat zelf ook liever zou hebben gedaan. Dus ja, we zijn ons ervan bewust dat het orkest in de operahuizen van toen anders heeft geklonken. Maar we weten ook dat dit louter een geldkwestie was.”

Nederland

Tot slot nog even over haar band met Nederland. Want na haar gitaarstudie in Graz kwam Christina Pluhar naar Den Haag, waar ze bij Toyohiko Satoh het  diploma voor luitspel behaalde. Sinds jaar en dag is ze bovendien een trouwe gast op het Festival Oude Muziek in Utrecht. Op 5 september 2015 schitterde L’Arpeggiata opnieuw in TivoliVredenburg met een eigenzinnige versie van Purcell’s ‘Dido and Aeneas’. En in 2016 hoopt ze zeker weer van de partij te zijn.
“Nederland was het eerste land dat een apart festival voor oude muziek heeft opgezet,” memoreert ze nog maar eens even. “Ik speel graag in Nederland, want daar heb je een echt gemotiveerd publiek.”
Een bijzonder compliment van een kosmopolitisch musicienne, die zoveel landen heeft bezocht waar klassieke muziek hoger aangeschreven staat en op meer égards mag rekenen dan in Nederland, waar muziekscholen en orkesten vlijtig worden wegbezuinigd.
 “Ja, maar toch…” Ze aarzelt even en herneemt dan resoluut: “Kijk, ik kom zelf uit Oostenrijk. En het klopt: klassieke muziek maakt daar inderdaad een belangrijk onderdeel uit van het sociale leven. Alleen, veel van de mensen die daar concerten bezoeken doen dat dus ook uit sociale overwegingen. Ze komen om elkaar te ontmoeten, om bij te praten, om hun goede smaak te tonen. In Nederland werkt dat naar mijn idee toch anders. Daar komen mensen naar een concert omdat ze gewoon muziek willen horen.”

Francesco Cavalli: L’Amore Innamorato 
L’Arpeggiata o.l.v. Christina Pluhar
Erato 2564616642



Luister, 22 januari 2016


,Een concert is meer dan spelen’



Dominic Seldis (Foto Roland Kramer)
Het grote publiek kent Dominic Seldis vooral als jurylid in het tv-programma Maestro. Maar de spraakzame Brit is ook eerste contrabassist in het Concertgebouworkest én een toegewijd kamermusicus. Op 13 maart komen hij en pianist James Pearson naar Zwolle met hun show Stand-Up Bass.

Door Margaretha Coornstra

,,Dominic Seldis / die absoluut een grote held is," zong cabaretier Mike Boddé hem half januari toe, tijdens een uitzending van Podium Witteman. De Britse contrabassist reageerde oprecht verrast, steeds breder glunderend naarmate de tekst vorderde. Nu werkt Dominic Seldis al sinds 2008 in Nederland, maar bedient zich in tv-programma’s nog steevast van zijn moedertaal.

Hoeveel verstond je van Boddé’s lofzang?

,,Ik verstond toch zeker negentig procent. Alleen, zelf Nederlands spreken lukt nog uitermate slecht,”, schakelt Seldis plotsklaps over op de taal van zijn werkgevers, en wel met een verbazend naturelle ch-klank. ,,In het Nederlands formuleer ik toch nog te traag. Ik probeer het wel, maar meestal vragen mensen me al gauw of ik alsjeblieft verder wil gaan in het Engels.”

Bij je TEDx Talk in 2013 profileerde je je als een ras-entertainer.

,,Dankjewel, maar geloof me: wat was ik toen bloednerveus! Ik had van tevoren eindeloos gerepeteerd. Het was een van mijn spannendste optredens ooit. Bovendien voelde ik me tamelijk opgelaten. Ik bedoel: al die andere TEDx-gastsprekers houden zulke indrukwekkende speeches, over diepe inzichten met grote maatschappelijke relevantie. En vervolgens kom ik aanzetten met mijn praatje over de contrabas."

Wanneer besloot je om de muziek te combineren met humor?

,,Goeie vraag. Eigenlijk is dat geleidelijk gegroeid. Mijn ouders namen mij vroeger mee naar alle mogelijke voorstellingen: cabaret, klassiek, jazz, popconcerten, western shows, echt alles. En na afloop praatten we dan uitgebreid na: wat vonden we er goed aan en wat niet? Was het z'n geld waard? Zouden we meer optredens van die artiest willen zien? Zo leerde ik al vroeg dat een concert geven meer is dan spelen alleen, en dat presentatie heel belangrijk is. Dat aspect mis ik weleens bij klassieke concerten. Vaak gaat het er nogal stijfjes aan toe. Je ziet musici die graag iets over de muziek zouden vertellen, maar niet eens weten hoe ze hun publiek moeten toespreken. Dat is zo jammer van je performance! Dus op dat onderdeel heb ik altijd even vlijtig geoefend als op de muziek zelf.”

Wat vind je hier in Nederland dat je in Engeland zou missen?

,,Nederlanders zijn goed van alles op de hoogte. Wanneer ik hier vertel dat ik eerste contrabassist ben in het Concertgebouworkest, snappen ze meteen: aha, dat betekent dus veel studeren en hard werken. Maar vertel ik dat in Engeland − en dat geldt zeker voor de streek waar ik vandaan kom (Suffolk, MC) − dan hebben mensen geen idee wat dat precies inhoudt. Daar zie ik dus echt een verschil.
En verder heb ik natuurlijk aan het Concertgebouworkest te danken dat ik al die leuke dingen erbij kan doen: Maestro, een programma als Stand-Up Bass… Want laten we wel wezen: spelen in dat beroemde orkest verleent je toch een zekere status. Het opent veel deuren.”

Bespeel je bij ‘Stand-Up Bass’ ook je John Lott-contrabas uit 1830?

,,Nee, dan breng ik de allereerste contrabas mee die ik ooit in mijn leven heb aangeraakt. James en ik spelen wat mooie muziek en ik maak een babbeltje met de mensen. En waarschuw ze maar vast: op tv zie ik er wel beter uit dan in het echt, vanwege de make-up! Maar ach, als we samen maar plezier hebben. Mijn doel is dat de mensen weer naar huis gaan met een lach op hun gezicht.”


(de Stentor, 10-03-2016)