vrijdag 15 april 2016

'De Speciaalzaak': De Oude Bank in Zwolle

De Stentor,  Katern &, 15-04-2016


Ze zijn er nog: echte speciaalzaken van ondernemers die niet uitgepraat raken over hun product. Zoals Geja van de Wetering van De Oude Bank in Zwolle.

Tekst Margaretha Coornstra

Ooit was Geja van de Wetering uitvaartondernemer. ,,Een mooi beroep. Maar na tien jaar werd het tijd voor iets anders." Ze begon een woonwinkel en kwam zo terecht bij haar huidige specialisatie. ,,Zes jaar geleden werden we uitgenodigd voor een presentatie in Den Haag, van een krijtverfmerk. Daarmee is het begonnen. Inmiddels werken wij met een ander merk. Veel mensen menen dat alle krijtverf één pot nat is, maar dat klopt niet. De verf die we nu verkopen, Vintage Paint uit Denemarken, heeft een heel taai, elastisch bindmiddel.”

Veel mensen associëren krijtverf met brocante. Maar Geja weet wel beter. Ze heeft ook klanten die juist een strak interieur willen en daarvoor even dankbaar gebruik maken van de typische krijtverfeigenschappen. Zoals de toepasbaarheid op vele oppervlakken, zonder het uitputtende voorwerk van afbijten of -branden, schuren en gronden.

In Apeldoorn bevindt zich ook een filiaal van De Oude Bank, vertelt Geja. ,,Daar worden wekelijks gratis workshops gegeven.”
Het Zwolse pand herken je al van verre aan de loodgrijs geverfde buitenmuren en de blauwgroene deur. Zowel de voorgevel als het interieur van de winkel fungeert als proeftuin. Binnen voeren zilvergrijs, oudblauw en gebroken wit de boventoon. Muurverf van het merk L’Authentique op de wanden, Vintage Paint op kozijnen, meubilair én vloer. Want jazeker, krijtverf is ook geschikt voor vloeren: van hout, beton of steen tot en met geglazuurde plavuizen.

,,Kom maar mee," wenkt Geja van de Wetering. Ze loopt naar het aangrenzende keukentje. De tegelvloer die aanvankelijk terracotta was, is nu klassiek zwart-wit geblokt. “We hebben alles eerst helemaal witgeverfd, ook de voegen, en pas daarna de zwarte vlakken aangebracht. Het zit er nu al twee jaar op.”
Maar grijpt zo’n matte laag dan geen vuil aan? ,,Je moet het afwerken. Blanke boenwas met een kwast opbrengen, 24 uur laten inwerken en dan uitpoetsen. Daarna kun je de vloer gewoon dweilen.”

De gekrijtverfde meubels in de winkel zijn eveneens afgewerkt met boenwas. Geja klopt op het tafelblad: ,,Deze hebben we met een kwast geverfd, zie je de streken? Dat staat natuurlijk wel stoer. Maar als je een glad resultaat wilt, gebruik je een rollertje.” Ze wijst op een witte fauteuil met zacht-glanzende bekleding: ,,Je kunt zelfs textiel verven. Kijk, het patroontje schemert hier nog doorheen." Al moet de stof niet pluche- of velours-achtig zijn, voegt ze eraan toe. “Want bij hoogpolige stoffen worden die rechtopstaande draadjes hard.”
Geja’s betrokkenheid gaat verder dan verf verkopen. ,,Ik geef ook interieuradviezen. Laatst nog was hier een stel dat iets anders wilde. Ze hadden foto’s meegenomen en daarop zag ik een klein, blauw vaasje. Ik zei: ‘Als je dat blauw nu eens als uitgangspunt nam...’ Van het een kwam het ander. En dankzij een andere kleurstelling en een paar potten verf hebben ze nu een heel nieuw interieur."

WIE
Geja van de Wetering
WAT
De Oude Bank, krijtverven en verfbenodigdheden
WAAR
Nieuwe Deventerweg 73, 8014 AD Zwolle
WEBSITE
www.de-oude-bank.nl


maandag 11 april 2016

De ‘Johannes’ volgens Jacobs

Nieuwe historische inzichten inspireerden René Jacobs tot een eigen benadering van Bachs Johannes Passion. Wanneer deze Luister nr. 714 uitkomt, zal de CD-box vermoedelijk nét zijn verschenen.

Tekst: Margaretha Coornstra

‘Dramatisch’ is een woord dat steevast valt zodra we het over Bachs Johannes Passion hebben. Meerdere operaregisseurs lieten zich zelfs verleiden tot een enscenering. René Jacobs heeft daarmee nochtans weinig op: “Er zijn wel verschillende karakters als Jezus, Petrus en Pilatus. En die zingen wel, maar daarmee zijn het nog geen operarollen,” legde hij uit in maart 2015, tijdens een interview met Deutschlandradio Kultur. “Je kunt eigenlijk niet zeggen: bas X zingt de Christuspartij. Want het is geen partij, het zijn de woorden van Jezus.” Natuurlijk, Bach gebruikte wel muziekdramatische middelen, zoals de expressieve recitatieven en buitengewoon virtuoze koren. “Maar,” zei Jacobs, “het krijgt nergens de ijdelheid van opera.”
Die laatste conclusie is terug te horen in ‘zijn’ gloednieuwe Johannes Passion. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, is er nog geen CD voorhanden. Wel 45 ongetitelde WAV-bestanden, die in willekeurige volgorde mijn mailbox hebben bereikt. En al viert expressie daarop hoogtij, het blijft een subliem evenwicht tussen historisch geïnformeerd zijn enerzijds (daarover straks meer) en rijkgeschakeerde emotie anderzijds. Met, inderdaad, subtiel uitgelichte dramatische momenten.

De Akademie für Alte Musik Berlin bespeelt instrumenten die Bach zelf idealiter voor oren stonden. Zoals de luit (vaak nagebootst door getokkelde violen) en de zeldzame viola d’amore (meestal vervangen door violen met sordino). Maar ook verder is deze Johannes Passion allesbehalve doorsnee. Grondig archeologisch graafwerk leidde tot onverwachte instrumentale of vocale bezettingen en soms afwijkende tempi. Er is zelfs een intrigerende ‘Appendix’ met onbekende fragmenten. Want wat blijkt? Er bestaat helemaal niet zoiets als ‘de’ Johannes Passion.
Sowieso bestonden er voor Bach geen definitieve versies van zijn composities. Telkens weer paste hij bestaand werk aan of verwerkte er nieuwe ideeën in. Zo ook bij de Johannes, waarmee hij zich vanaf 1724 tot kort voor zijn dood in 1750 bleef bezighouden, ruim 26 jaar. Een tijdbestek waarbinnen zowel muziekstijlen als theologische visies evolueerden. En dan had Bach ook regelmatig nog te kampen met onderbezetting − met alle ad hoc wijzigingen van dien.
Musicoloog Konrad Küster geeft van dit proces een grondige uiteenzetting van ruim 3000 woorden, gevolgd door de ‘Opmerkingen bij de opname’ van René Jacobs zelf, die nog eens een kleine 2000 woorden beslaan. Leesvoer genoeg dus, en allemaal warm aanbevolen. Essentieel punt: de versie die op Goede Vrijdag 1724 in de Leipziger Nikolaikirche in première ging (en die Jacobs nog altijd als basis dient) verschilde aanzienlijk van de opvoering in 1725, in de Thomaskirche. Bach had de Passion van andere openings- en slotkoren voorzien en ook enkele aria’s had vervangen. Wat van die versie bewaard is gebleven, horen we in de Appendix.

Dan de opnamen zelf. Voor het koor wenste Bach zich altijd het minimum van zestien zangers, al moest hij het regelmatig met minder stellen. Dat aantal heeft Jacobs aangehouden. De begrenzing tussen koor en solisten is minder scherp dan we gewend zijn: “Voor onze vier ariazangers, die allemaal ook thuis zijn in de operahuizen, betekent meezingen in het koor een test in nederigheid, tot glorie van God alleen,” aldus Jacobs. “Bij het mengen van subjectief getimbreerde solostemmen met objectieve, homogene koorstemmen, moeten de solisten een beetje subjectiviteit opofferen en de koorzangers een beetje objectiviteit; en ook dat betekent een devote oefening die alleen maar heilzaam kan zijn voor Bachs muziek.”
Inderdaad zingt het koor nu eens sluik en sober, dan weer fel en virtuoos, maar altijd ten dienste ván. Het bekende slotkoraal ‘Ach Herr, lass Dein lieb’ Engelein’ klinkt ditmaal niet licht en ijl zoals je vaak hoort, maar breed en gedragen. Zulks in tegenstelling tot de koraalfantasie uit versie 1725 (Appendix): ‘Christe, Du Lamm Gottes’, dat ontroert door breekbaarheid en inkeer.
Maar ook is daar de verrukkelijke vaart in “Eilt, eilt!” met vloeiende coloraturen in koor, orkest en solist – alles valt samen tot één meeslepend geheel. In het soldatenkoor “Lasset uns die nicht zerteilen” speelt het solokwartet een prominente rol, evenals in het slotkoor “Ruhet wohl”.
Bij de zangsolisten excelleren vooral de mannenstemmen. In de toelichting wordt nog eens aangestipt dat elke uitvoering staat of valt met de evangelist. En wat kunnen we ons dan gelukkig prijzen met Werner Güra: een begeesterd verteller, die bovendien kristalzuiver intoneert.

In de slotalinea van zijn ‘Opmerkingen bij de opname’ heeft René Jacobs nog een dringend verzoek aan de luisteraar: om die vijf nummers van de Appendix, overgebleven uit de Johannes Passion anno 1725, toch vooral niet over te slaan. “Deze Johannes Passion, zo anders van sfeer, verdient het om in haar geheel te worden beluisterd. Misschien hebben we, in ons tijdsgewricht dat schreeuwt om vertroosting, deze minder bekende versie meer nodig dan de gangbare.”


J.S. Bach: Johannes Passion.
Akademie für Alte Musik Berlin & RIAS Kammerchor Berlin o.l.v. René Jacobs.
Harmonia Mundi HMC 802236

'Luister niet naar Mozart'

(Flyer Kameroperahuis)
Hoe natuurlijk is echtelijke trouw? En hoe bevrijdend is polygamie?
Deze prikkelende vragen komen aan bod in ‘Why nobody should listen to Mozart’. Een theaterproject van The Young Ones in samenwerking met Kameroperahuis.



Door Margaretha Coornstra

Het begon allemaal in 2015, met een plan van de Nederlandse Reisopera. Of Kameroperahuis een eigentijdse variant wilde organiseren op hun uitvoering van Mozart’s ‘Così fan tutte’, bij wijze van randprogrammering? Natuurlijk was het antwoord een hartelijk ja. Regisseur Sjoeke-Marije Wallendal en theaterbroedplaats The Young Ones werden ingeschakeld. Maar weldra groeide hun voorstelling uit tot een zelfstandige productie, met de even schelmse als eigentijdse titel 'Why nobody should listen to Mozart '.
De Italiaanse titel ‘Così fan tutte’ betekent: zo doen ze allemaal. En aangezien ‘tutte’ vrouwelijk meervoud is, hebben we het blijkbaar over vrouwen. En wat doen die vrouwen dan allemaal? Hun mannen bedriegen! Overspel plegen!
"De opera verkondigt een visie op de liefde, met name op vrouwen, die nogal cynisch is,” beaamt Sjoeke-Marije Wallendal. "Een oudere man gaat een weddenschap aan met twee verliefde jonge mannen, over de vraag hoe lang hun verloofdes trouw aan hen zullen blijven.”
Volgens Don Alfonso (zoals de oude filosoof in het libretto van Lorenzo da Ponte heet) hoeven beide jongemannen geen illusies te koesteren. Hij krijgt verschrikkelijk gelijk: binnen 24 uur staan beide jongedames op het punt om met een ander te trouwen.

"Ontrouw is een nood van het hart,” concluderen Mozart en Da Ponte in ‘Così fan tutte’. Met andere woorden: we kúnnen niet anders, de mens is nou eenmaal niet monogaam van aard. Maar klopt dat wel?
Sjoeke-Marije Wallendal: "Wij waren benieuwd hoe ouderen en jongeren daar vandaag de dag tegenaan kijken. Wat is hun visie op de liefde? Waar liggen de verschillen tussen de generaties en in hoeverre komen die overeen met de uit de tijd van Mozart? De huidige ouderen zijn van de generatie die seksuele revolutie heeft meegemaakt. Maar je kunt je afvragen of met de vrije liefde alles nou zoveel makkelijker is geworden. De huidige jongeren hebben vooral te maken met de media: denk aan datingsites en apps als Tinder. Wat doet dat allemaal met hun ideeën over de liefde? En welke rol speelt het begrip trouw daarbij? Hoort trouw bij de liefde, als een soort offer, of is die gedachte puur cultureel bepaald?”

Ziehier de rode draad in ‘Why nobody…’: de discrepantie tussen het verlangen naar trouw enerzijds tegenover het verlangen naar vrijheid anderzijds. Wijst ons ideaal van de eeuwige liefde erop dat we in aanleg monogaam zijn? Of horen polygamie en polyamorie eigenlijk bij onze natuur, maar proberen we krampachtig monogaam te zijn omdat de cultuur ons dat oplegt? De personages verdiepen zich in de kwestie via verhitte discussies, verleidelijke dansen, wetenschap en dichtkunst.

Pikant aspect is dat de verhalen van de spelers echt zijn, zo vertelt Wallendal: ,,Het is meer een documentaire voorstelling over de groep zelf, gebaseerd op hun eigen ervaringen.” Volgens het principe van The Young Ones bestaat de cast uit zorgvuldig geselecteerde amateurs. De voorstelling is Nederlandstalig, met veel gesproken tekst. "Maar,” zegt Wallendal, "in de zang hebben we het Italiaans aangehouden, begeleid door de instrumenten van nu. Dus geen orkest, maar een keyboard en elektrische gitaar.” Toch heeft componist Warre Simons er stellig geen jazz- of R&B-versie van gemaakt, benadrukt ze: "Hij blijft dicht bij de originele noten. Alleen klinken die door de moderne instrumenten wel een beetje vervormd. Dus ook muzikaal is ‘Why nobody should listen to Mozart’ een hedendaagse echo van ‘Così fan tutte.’”

(de Stentor, Uit & Thuis, 07-04-2016)