donderdag 2 juni 2016

'Mijn Geld & ik': schaapherder Chris Grinwis

(Foto Condesign)
'Sappelen met de schaapskudde'

Wekelijks vragen we een bekende streekgenoot het hemd van het lijf over financiële kwesties. Deze keer: schaapherder Chris Grinwis uit Epe.

Door Margaretha Coornstra

Schapen hoeden, daar word je vast niet rijk van?

,,Nee, en dat hoeft ook niet. Mijn werk is mijn passie. Maar ik zou wel graag een fatsoenlijke boterham verdienen.”

Lukt dat niet?

,,Ongelogen: ik werk 60 tot 70 uur per week en leef op bijstandsniveau.”

Je bent een ‘traditioneel herder’. Wat betekent dat?

,,Als traditioneel herder hoed je minimaal negen uur per dag. Maar er zijn ook schapenhouders die stukken hei afzetten met netten, zodat de schapen niet weglopen. Af en toe kijken ze even. Ja, zo kun je wel drie kuddes per dag doen. Die concurrentieslag is er ook nog.”

De provincie Gelderland stelt toch twee miljoen voor schaapskuddes beschikbaar?

,,Ho even! Die twee miljoen zijn voor elf schaapskuddes en tien schaapskooien, ja. Verdeeld over zes jaar, waarvan er al twee voorbij zijn. Drie ton gaat naar tien schaapskooien. Blijft zeven ton over voor exploitatie van elf schaapskuddes. Maar de kosten van één kudde bedragen al een ton.”

Je beroep heeft zo’n idyllisch imago.
,,Dat is soms lastig. ‘U hebt toch maar weinig nodig? Uw schapen eten gratis op de hei!’ hoor ik vaak. Toch ben ik ’s winters dagelijks 150 euro aan voer kwijt. Maar veel toeristen zien de kudde als landschapsstoffering. Als ik voor elke foto een tientje kreeg…”

Ideetje?

"Ha! Laatst kwam er een stelletje met trouwplannen. Vraagt die jongen: ‘Kunt u dan-en-dan om zo-en-zo laat daar-en-daar zijn?” Voor hun trouwfoto’s dus. Ik vraag: ‘Wat schuift het?’ De verbázing van die jongen!”

Komt het door die beeldvorming dat herders onderbetaald werken?

"En doordat de schapenhouderij in Nederland economisch niet van belang is. In Duitsland, Frankrijk en Engeland staat het ambacht hoger aangeschreven en is de professionaliteit groter. Volg je hier de opleiding Veehouderij, dan mag je Schapenhouderij als bijvak kiezen. In Duitsland is het een zelfstandige opleiding en ben je pas na zes jaar ‘Schäfermeister’. De belangenbehartiging van herders is er ook beter geregeld.”

Snappen de Nederlandse beleidsmakers jullie probleem?

"Als Schaapherdersgilde hebben we aangedrongen op onderzoek. Dat is gebeurd, in opdracht van EZ. Een dezer dagen verschijnt het rapport van Alterra. Ik kan je nu al verklappen dat een herder werkt met een gemiddeld tekort van 25.000 euro per jaar.”

Hoe overleef je dan?

"Dankzij een voederleverancier die bereid is om geduldig op z’n geld te wachten. En ik draag veel ‘krijgertjes’: dit overhemd was eerst van m’n zwager. De auto is 15 jaar oud en heeft ruim 2,5 ton gelopen. Ik rijd 120 kilometer per dag, want mijn kudde staat in Harderwijk.”

Geef je ooit voor je plezier geld uit?

"Als het kón, zou ik graag zelf een motorfiets in elkaar zetten. Daarvan droom ik al sinds m’n achttiende. Maar dat kost 20 á 30 mille. Ik heb nu een motor van 600 euro. Daarmee rijd ik misschien 2000 kilometer per jaar.”

(Stentor,  2016)

maandag 30 mei 2016

Dansen om te overleven

De theaterproductie ‘Dansen met de vijand’ is gebaseerd het gelijknamig boek van Paul Glaser. Zijn tante Roosje – een levenslustige vrouw en succesvolle danslerares – overleefde Auschwitz. Bij thuiskomst in Nederland werd ze als ‘fout’ bestempeld.

Door Margaretha Coornstra

"Ik groeide op als katholieke jongen,” zegt Paul Glaser (1947). "Ik ben zelfs nog misdienaar geweest.” Pas na zijn 35ste deed hij twee ontdekkingen, die een nieuw licht wierpen op wat hij ‘een onbezorgde jeugd’ noemt.
Ten eerste kwam er een telefoontje van een meneer uit Naarden, met de vraag of hij familie was van Roosje Glaser. Er was namelijk een oude dame overleden en in haar bureau lagen brieven die ze had geschreven vanuit Westerbork en kamp Vught. Zo ontdekte Paul Glaser dat zijn familie Joods was en dat zijn tante Roosje in een concentratiekamp had gezeten. "Natuurlijk heb ik mijn vader daarmee geconfronteerd. Maar die reageerde afwerend: ‘Praat er alsjeblieft niet over, want vroeg of laat wordt het tegen je gebruikt.’ Dus liet ik het erbij.”
De tweede ontdekking kwam tijdens een conferentie in Krákow, toen hij met een groep het nabijgelegen kamp Auschwitz bezocht. "Ikvond dat soort bezoeken altijd een vorm van ramptoerisme, maar ik ging toch mee. We liepen langs vitrines met bergen schoenen,  bergen brillen, bergen koffers…  En plotseling zag ik op die ene koffer mijn familienaam: Glaser, Nederland.”
Vanaf dat moment verdiepte hij zich in zijn familiegeschiedenis en het Jodendom. En hij schreef zijn boek ‘Dansen met de vijand’. Roosje Glaser was namelijk danslerares. En dat bleef ze, ook onder de meest groteske omstandigheden.
 
Het was Roosjes ex-man Leo, een NSB-sympathisant, die haar als eerste verraadde. Glaser: "Een Jodin mocht geen dansschool exploiteren, dus moest ze haar werk opgeven. Toen is ze eerst illegaal op zolder doorgegaan. Later heeft een vriend haar opnieuw verraden, voor vijftien gulden.”

Via Westerbork en Vught kwam Roosje Glaser in Auschwitz terecht. Daar werd ze proefpersoon in de medische experimenten van Mengele. ,,Maar die experimenten werden zó zwaar, dat ze weigerde. Daarom werd ze voor straf te werk gesteld bij de gaskamers: zij moest aan gevangenen, die dachten dat ze gingen douchen, handdoeken uitdelen en na afloop de lijken uit elkaar halen. Dat heeft ze zes weken volgehouden, totdat ze tussen die lijken een nichtje zag liggen."

Roosje vroeg overplaatsing aan; een verbijsterend assertieve reactie. "De meeste mensen zouden zich in zo’n kamp zo klein mogelijk maken. Maar zij stapte overal op af.”
Roosje kreeg inderdaad ander werk, in een granatenfabriek. Weldra gaf ze zelfs danslessen aan Duitse SS’ers: “Daar kreeg ze dan een brood voor, dat ze deelde met medegevangenen. Maar ze kreeg ook een relatie met een Duitser. Dat is bizar. De hele situatie was bizar.”

Roosjes broer − de vader van Paul Glaser − overleefde de oorlog als onderduiker. ,,Toen hij met zijn katholieke vriendinnetje trouwde, mijn moeder dus, besloten ze dat ze hun kinderen nooit met die Joodse familiegeschiedenis zouden belasten. Ook tante Roosje praatte er nooit over. Mijn zus en ik hadden geen idéé.”
 
Hoe reageerde Paul Glaser achteraf op die zwijgzaamheid? "Eerst maakte ik mijn vader natuurlijk verwijten: 'Wat denk je wel, het is ook míjn familie!’ Maar later heb ik veel Joodse mensen ontmoet wier ouders een kampverleden hadden. Vaak had dat een soort druk op hun gezin gelegd. Het moet voor mijn vader moeilijk zijn geweest om ons voor zo’n geheim te behoeden. Toch hebben we als kind nooit iets aan hem gemerkt.”

Regisseur en scriptschrijver Erris van Ginkel bewerkte ‘Dansen met de vijand’ voor theater. "Het boek intrigeerde me, doordat het de standaard denkwijze in ‘goed’ en ‘fout’ op z’n kop zet.” Al was de vertaalslag naar theater niet eenvoudig. "Er zijn twee verhalen. Het verhaal van Paul, die Roosjes brieven leest en ontdekt dat hij van Joodse afkomst is. En het verhaal van Roosje zelf. Hoe laat je beide verhalen tot hun recht komen?”

Van Ginkel koos voor een sobere bezetting met drie acteurs. “Roosje als jonge vrouw, Roosje als oudere vrouw en een acteur die alle mannen speelt: de gefrustreerde echtgenoot, een SS'er in het kamp, maar ook Paul zelf. Doordat één persoon alle kanten op geslingerd wordt, krijgt het stuk meerdere lagen. Dat Roosje danste, is theatraal een fijne invalshoek. Dat maakt allemaal wat lichter en biedt ruimte voor humor. Dat is belangrijk. Zodra je kunt lachen, sta je ook open voor andere emoties; dan huil je ook makkelijker. Zo werkt dat echt, dat merk ik bij dit stuk heel duidelijk.”

De voorstelling bevat liedjes van Roosje zelf, gemaakt in kamp Westerbork om daarmee andere gevangenen te amuseren. “Dan hebben die stumpers ook nog wat," schreef ze. Paul Glaser: ,,Later zei ze: ‘Ik deed zulke dingen niet alleen om mensen te helpen, maar ook om zelf mens te blijven.’ Ze zag altijd de mens achter de ander, ongeacht afkomst of nationaliteit.”
Hoe anders dacht men destijds in naoorlogs Nederland. Want eenmaal teruggekeerd viel Roosje Glaser in de categorie ‘fout’, vanwege haar verhouding met een Duitser.
 
Paul Glaser: "Ach, mensen hanteren graag strakke indelingen, om hun gedachten overzichtelijk te houden. Tegenwoordig geef ik gastlessen aan schoolklassen. Dat zijn vaak bonte gezelschappen: meisjes met hoofddoeken, maar ook oer-Hollandse types. Daar vertel ik dan hoe ik vroeger niets van het Jodendom afwist, maar de kennismaking met die cultuur als verrijkend heb ervaren. Dat ik nieuwe mensen leerde kennen en dingen beter ging begrijpen. Want dát wil ik die kinderen vooral op het hart drukken: verdiep je alsjeblieft in de achtergrond van de ander. Dat verrijkt je leven."


(de Stentor, 14-04-2016)


Dansen met de vijand - Muziektheater 
Met Valéry van Gorp, Truus te Selle, Mike Weerts (regie Erris van Ginkel, muziek Maurits Fondse)
t/m 22 mei in diverse theaters 
Speellijst: www.dansenmetdevijand.nl

Dansen met de vijand - Expositie 
15 april t/m 8 januari 
Nationaal Monument Kamp Vught
Lunettenlaan 600
5263 NT Vught
073 656 67 64
www.nmkampvught.nl

'Uniek' Vestingval viert eerste lustrum


Door Margaretha Coornstra

ELBURG - Het eerste lustrum van Vestingval Elburg is een feit. Voor het vijfde jaar op rij fungeert de vierkante kilometer van Elburger binnenstad als één grote expositieruimte.
Zowel qua stijl als materiaalgebruik is de variatie verbluffend. ,,Kijk, we hebben nog extra verscheidenheid aan kunnen brengen,” constateert festivalvoorzitter Mariet Boersma-van Krimpen. Op haar laptop klikt ze enthousiast de ene foto na de andere aan. Traditiegetrouw ligt het accent op beeldende kunst, waarbij ditmaal meerdere toegepaste kunstvormen te bewonderen zijn. Zoals het curieuze lucifermeubilair van Kees Moerbeek (Nijmegen), het fascinerende glaswerk van Christel Burghoorn (Enschede) of de extravagante lampen van Ayala Serfaty (Tel Aviv). De statige Vischpoort herbergt een video-installatie van Marlijn Franken en het Museum Sjoel toont een metersgroot doek van Eli Content (beiden uit Amsterdam).

Toch huldigt Vestingval Elburg allerminst het principe ‘wat je ver haalt is lekker’. Ruim de helft van de deelnemers komt uit deze  regio, zoals Susanne Maria Wolf (Kampen), Ruth van Exel (Noordeinde) en Marieke Ten Berge (Oosterwolde). ,,Mensen denken weleens dat we geen aandacht zouden besteden aan kunstenaars uit de omgeving, terwijl die toch bij élke editie vertegenwoordigd waren," verwondert Mariet Boersma zich. Dat regionale aspect komt vooral naar voren bij de podiumkunsten, in diverse genres: van klassiek tot jazz, van poëzievoordracht tot orgelspel. Zo zijn er muzikale optredens van celliste Marieke Rouw en jazzduo SaxyBlack uit Zwolle en Susterenkoor St. Agnes uit Elburg. Boersma: ,,En dit jaar hebben we voor het eerst ook jeugdtheater! Op 7 mei zal de musicalgroep van centrum Cultuurkust het stuk ‘Celblok Nunspeet’ maar liefst vier keer achter elkaar opvoeren.”

Overigens kan dit eerste lustrum in materieel opzicht niet al te uitbundig worden gevierd. Want financieel is het nog altijd geen vetpot, volgens Mariet Boersma: ,,De gemeente Elburg heeft weliswaar een eenmalige subsidie verstrekt, maar de provincie Gelderland geeft alleen nog geld aan grote evenementen. Verder zijn er een paar kleine bijdragen van sponsoren.”
Vestingval drijft dus voornamelijk op vrijwilligers. ,,Maar daar zijn we niet uniek in,” beseft Boersma. ,,Wél uniek is dat we al vijf jaar lang een meerdaags evenement neerzetten dankzij medewerking van Elburgse musea, winkeliers en particulieren, die allemaal gratis hun panden beschikbaar stellen. Een evenement waarvoor de stad niet hoeft te worden afgezet en ook geen parkeerplaats ontruimd, en dat bovendien geen dure veiligheidsmaatregelen vergt. Daarmee zetten we Elburg toch aardig op de kaart, dacht ik zo.”


5 t/m 14 mei (behalve zondag). Meer info: www.vestingvalelburg.nl

(Stentor, begin mei 2016)

zondag 29 mei 2016

Vergeten parels uit Nederlandse opera’s


Sopraan Jolien De Gendt, tenor Denzil Delaere & pianist Pieter Dhoore

Muziekjournalist René Seghers werkt aan een immens meerjarenproject: ‘401NederlandseOperas’, een naslagwerk over de Nederlandse opera van 1680 tot heden. Aanstaande zondag klinken in Rijksmuseum Kröller-Müller alvast enkele wereldpremières van vergeten Nederlandse meesterwerken.

Door Margaretha Coornstra

Jan van Gilse, Richard Hageman, Willem Landré… Geen namen die de doorsnee operaliefhebber meteen doen opveren. Toch verdient hun oeuvre aandacht, vindt opera-expert en publicist René Seghers. Intensief speurwerk leerde hem dat er tussen 1680 en nu ruim vierhonderd Nederlandse opera’s zijn gecomponeerd. ,,En elk jaar komen er zo’n vijftien bij,” weet Seghers. ,,Ik dacht: het is onmogelijk dat in zóveel opera’s nul mooie aria’s zouden zitten. En inderdaad, ik ontdekte parels waarvan ik niet wil zeggen: ‘Verdi en Puccini zijn er niks bij’, maar ze doen er ook niet voor onder.”
In het Kröller-Müller Museum klinken zondagmiddag Nederlandse operafragmenten van rond de eeuwwisseling. Seghers: ,,Meestal worden die componisten weggezet als epigonen van Brahms of Debussy. Dat is ten dele waar. Maar in hun dénken waren ze vaak heel non-conformistisch.”
Als voorbeeld noemt hij Gerard von Brucken Fock (1859-1935). “Van adel, maar overtuigd communist. Hij was ook diep religieus, met een mystieke inslag. En hij sloot zich aan bij het Leger des Heils vanwege de maatschappelijke betrokkenheid. Zijn ‘Jozal’ is in feite een religieus-marxistische opera, met autobiografische elementen.”

‘401NederlandseOperas’ heet dit immense project waarin Seghers al die opera’s beschrijft. Website en naslagwerk groeien gestaag. Seghers wordt in zijn monnikenwerk bijgestaan door Anthony van der Heijden, ook een gepassioneerd operakenner, die de organisatie regelt. Zoals een concertreeks, die het publiek laat kennismaken met operafragmenten van eigen bodem. Want, zegt Van der Heijden: ,,Alleen een boek, dat werkt niet. Mensen willen er een klankbeeld bij.”
Seghers: ,,Ons doel is: repertoire ontsluiten. Van werken na 1945 bestaat meestal wel een opname. Maar van veel vooroorlogs werk resten ons alleen manuscripten, die we moeten digitaliseren en bewerken. Daar gaat al gauw vijf jaar inzitten. Maar wij zijn twee doorzetters.”

Dat laatste gold evenzeer voor de componisten wier werk hij promoot. ,,Die droomden ervan om een opera componeren. Dat betekende jaren werk − op de bonnefooi. Want er was geen Ministerie van OCW dat opdrachten of subsidies gaf. En toch schreef Jan van Gilse zijn meesterwerk ‘Helga von Stavern’, wetend dat de partituur waarschijnlijk in zijn bureaula zou belanden.”
Van der Heijden vult aan: ,,Sinds de Reformatie gold het in Nederland als ‘niet netjes’ wanneer je beroepsmatig componeerde. Schilders en schrijvers werden nog wel geaccepteerd. Maar musicus of acteur, dat was geen respectabel vak.” Seghers: ,,Kijk naar het katholieke Vlaanderen, dat zelfs na de bezuinigingen nog tig operahuizen heeft. Nederland heeft er maar eentje, en dat pas sinds 1987.”

Het concert in het Kröller-Müller (door drie zangers,  viool en piano) past in de promotie-tournee. ,,De programma’s kun je thematisch variëren,” vertelt Seghers enthousiast. ,,Voor Otterlo nemen we muziek uit de tijd van Helene en Otto Kröller-Müller. Maar voor een locatie in Friesland zou je Friese componisten kunnen kiezen. Denk aan Richard Hageman: zijn ‘Caponsacchi’ is zelfs in de New Yorkse Metropolitan opgevoerd, als enige Nederlandse opera ooit. Hageman was in 1939 ook de allereerste Nederlandse Oscarwinnaar voor filmmuziek. Ja, meestal wordt zijn naam op z’n Amerikaans uitgesproken. Maar vergis je niet: de uitvinder van de John Wayne-sound was een Fries uit Leeuwarden!”


Rijksmuseum Kröller-Müller, 29 april, 15:30 uur. Zie ook www.401NederlandseOperas.nl

(de Stentor, 26-05-2016)